Cockske, held in fantastisch beestenweer

Roger Decock (88) Hij is de oudste nog levende winnaar van de Ronde van Vlaanderen. „Ik ben nog in beste conditie.”

Roger Decock wint in 1952 de Ronde van Vlaanderen. Foto CRVV

Er schijnt zonlicht van boven de ouderwets bruine woonkeuken in, door een dakraam van één bij één. De ramen die uitzicht zouden moeten bieden op het belendende gastenverblijf en de garage met daarin een Volvo 244 uit 1982 zijn behangen met smoezelig geworden vitrages. In de keuken ruikt het naar hond.

Op de plek waar ooit pannen op het vuur hebben gestaan, staan foto’s van kleinkinderen, achterkleinkinderen, een portret van de man des huizes naast de twee koppen grotere Eddy Merckx, bidons uit eendaagse wedstrijden hier in de buurt verreden. Er hangen spinnenwebben in het met paars bloemetjesbehang bekleedde toilet en ook in de voorkamer, waar een tafel met een foto van zijn echtgenote Ginette door de zon beschenen het stralende middelpunt vormt.

Moet ge even likken, Moestie?

Roger Decock (88), de oudste nog levende winnaar van de Ronde van Vlaanderen, buigt gehuld in een driedelig kostuum en gezeten aan zijn keukentafel voorover, met zijn hoofd tussen zijn knieën, zodat yorkshire-terriër Moestie bij zijn gezicht kan. Het hondje is het na de dood van de vrouw in huis negen jaar geleden niet meer gewend aandacht te delen als er visite is. Hij blijft blaffen. „Moet ge even likken, Moestie? Nou, kom maar dan.” Moesties tongetje raast enthousiast over de kin van de man die deze weken wordt bewierookt als dé held van de honderdste uitgave van ‘Vlaanderens Mooiste’, monument der wielermonumenten. Na vijf seconden kruipt het beestje tevreden onder de tafel en begint Decock met de levenslust van een twintiger zonder dat er een vraag gesteld is zijn levensverhaal te vertellen, als een riedel die hij al voor de zoveelste keer afdraait.

Fotoludiek.be

Roger Decock, 88 jaar, is de oudste nog levende winnaar van de Ronde. Fotoludiek.be

Boterhammen en biefstuk

Elk jaar rond deze tijd, als werklui de Vlaamse Ardennen in trekken om er hoogwaardige vip-tenten uit de grond te stampen, is het spitsuur aan de toch al drukke Deinzesteenweg. Dan komen de wielerjournalisten soms met complete cameraploegen van heinde en verre naar de vrijstaande woning op een lap grond „van duizend vierkante meters” in Aarsele om Roger Decock in de waterige blauwe ogen te kijken, ogen die als venster dienen naar vervlogen tijden waarin een wielerwedstrijd van 500 kilometer en langer tussen Parijs en Bordeaux de normaalste zaak van de wereld was, en waarin renners zich daarop voorbereidden met boterhammen en biefstuk.

Hij is de held van de Ronde

Dit jaar heeft Decock het extra druk. Als de Held van de Ronde – andere jaren werd een dorp langs het parcours in het zonnetje gezet – dient hij op te draven bij tal van evenementen; openingen, sportquizzen in cafés, wielerrondjes om de kerk in de buurt. Trots zoekt hij tussen voor de gelegenheid klaargelegde fotoalbums naar een papier waarop zijn programma voor komende zondag staat – de dag van ‘de Ronde’. De albums heeft zijn vrouw decennia geleden samengesteld en ze fungeren nu als houvast wanneer hij naar antwoorden zoekt. Ah, daar staat het: ‘10:00 uur, internationaal huldemoment Roger in het Shamrock Hotel te Tielt’, een stadje zes kilometer verderop. „Wat ze precies van plan zijn, weet ik ook niet. Ik heb gehoord dat de koning komt.” Hij glundert.

Moestie begint weer te blaffen. Decock reageert als door het beestje gebeten. „Ge moet zwiegen nu!”, roept hij hem toe. De kampioen van ’52 zit net lekker in zijn verhaal. Als hij ziet dat de vermaning iedere uitwerking mist, loopt hij naar de deur die uitkomt op de riante tuin en geeft hij zijn enige huisgenoot een zetje. Even is het stil.

„Wel verdomme, hoe laat is het?” Decock schrikt zich onderweg naar zijn stoel verloren. Er is koers op televisie, en door „al dat geklets” over zijn carrière is hij de tijd vergeten. Hij loopt met gezwinde pas naar zijn televisie aan het einde van de keukentafel, model jaren negentig, en zoekt met de knoppen onder de beeldbuis naar de VRT, de vertrouwde zender die in elk geval alle Vlaamse koersen van deze heilige wielerweek live uitzendt. „Kwart voor vijf, godverdomme.” Wielrenners in de E3-Harelbeke, een semi-klassieker, zitten met nog 15 kilometer te gaan diep in de finale. Twee wereldkampioenen – Peter Sagan en Michael Kwiatkovski – zijn alleen over.

„Waar rijdt het peloton”, vraagt Decock opgewonden.

„Dertig seconden meneer.”

Een grimas op zijn gezicht, tussen zijn getuite lippen zuigt hij hardop lucht naar binnen. Zijn kin gaat omhoog in een poging de renners op de beeldbuis scherper te krijgen. Decock geniet van de koers, hoewel „het allemaal commercie is geworden”.

Sagan verliest de sprint kansloos van Kwiatkovski in de straten van Harelbeke. „Maar let op”, waarschuwt Decock. Hij gaat een grote klassieker winnen. De Ronde of Parijs-Roubaix. Ik weet het zeker.”

decock

Fantastisch beestenweer

De man kan het weten. Het is april 1952 als Roger Decock door de straten van het Vlaamse Wetteren fietst met de Italiaan Petrucci en de eeuwige grootheid in Vlaanderen Briek Schotte – dan al tweevoudig wereldkampioen. Het is een loodzware dag geweest, niet warmer dan vier graden, regen, natte sneeuw. „Het was fantastisch beestenweer”, zegt Decock trots, terwijl hij bladert door het boek dat zijn kleindochter over hem schreef, weer gaat zitten, even maar, want Moestie wil weer naar binnen.

Hartslag 36

De voortekenen logen er in ‘52 al niet om. Daags voor de Ronde mat de dokter zijn rustpols: 36 slagen. Ongelooflijk, oordeelde de arts. „En ik was ook goed, zeker met slecht weer. Misschien uit mijn tijd als smokkelaar in de oorlog. Zeven dagen per week vijftig kilometer heen en terug, met etenswaren op mijn rug.”

Tweehonderd meter voor de finish ziet Decock, dan tweedejaars prof, zijn twee tegenstanders de rug rechten. Ze komen op adem, laten de hartslag voor even zakken om dan de finale sprint aan te trekken. Decock reageert impulsief en sprint weg van zijn tegenstanders.

Het geluid in finishplaats Wetteren zwelt aan, duizenden landgenoten zien Decock naar zijn mooiste overwinning sprinten, tenminste, dat is hoe het 64 jaar na dato heet.

Zelf denkt hij daar anders over, zegt hij voorzichtig. „De Ronde was mooi, en ik heb er een goede stuiver aan verdiend. Die overwinning trok jaren en jaren mensen naar café de Wildeman hier om de hoek in Tielt, waar ik bijna dertig jaar uitbater was. Maar ik ben trotser op Parijs-Nice 1951. Winnen na zes etappes, dat is wat hoor. Als ze het hebben over Cockske dan hebben ze het over de Ronde. Maar ik wil dan altijd zeggen: nee, Parijs-Nice jongens.”

Held voor het leven in Vlaanderen door de overwinning in de Ronde, in Nederland wordt Roger Decock beroemd door een heldhaftige actie in de dertiende etappe van de Tour de France in 1951, zijn debuut in de grootste wielerwedstrijd ter wereld. Decock staat vijftiende in het algemeen klassement, Wim van Est is de eerste Nederlandse geletruidrager in de geschiedenis.

Het slippen, de val, het ravijn

De twee rijden met de besten mee tegen de Col d’Aubisque op, een beklimming van de zwaarste categorie in de Pyreneeën. De wegen zijn in die tijd slecht, er ligt grind, geen asfalt. Decock: „In de afdaling was Wim nerveus. Hij wilde zijn trui behouden. Ik zag hem al twee keer slippend door de bocht gaan, dus ik hield twintig meter afstand. De derde keer vloog hij over een muurtje het ravijn in. Een schim zag ik, en weg was hij. Ik ben meteen gestopt, dat was geen keuze, meer een natuurlijke reactie. Maar ik zag Wim nergens meer. Ik ben blijven staan tot Sylvère Maes, de Belgische ploegleider, in een volgauto voorbijreed. Ik kon niet anders en ik heb er ook nooit spijt van gehad. Maar het kostte me wel 25 minuten.”

Iconisch zijn de beelden van een huilende Wim van Est, die aan een koord van reservebanden door omstanders zeventig meter het ravijn uit wordt gehesen. Zonder Decock zou hij misschien wel nooit zijn opgemerkt. Van Est heeft wonderwel alleen wat schrammen en zit onder het stof. Maar hij stapt uit de wedstrijd. Zijn fiets wordt later pas verwrongen teruggevonden. Decock maakt in de resterende etappes nog minuten goed, en eindigt als zeventiende in Parijs.

Vijftig jaar gaan er voorbij tot de twee voor het eerst komen te spreken over het incident. Op de flanken van de Aubisque wordt in 2001 een plaquette onthuld van wat ook wel ‘de val van de eeuw’ wordt genoemd en de twee hoofdrolspelers zijn erbij op uitnodiging van weer een andere wielerprof, Rinus Wagtmans. „D’n Wim was al een beetje dement in die tijd, dus veel hebben we het er niet over gehad. Hij omhelsde me en zei: ‘Och, Roger, wat ben ik blij dat ik u weer zie.’”

De beelden van Wim van Est:

Op 1 mei 2003 overlijdt Wim van Est in zijn woonplaats Sint-Willibrord. Op de begrafenis bedankt zijn familie Roger Decock uitvoerig voor het redden van zijn leven. „Misschien gaan we elkaar nog eens zien”, zegt Decock. „Maar voorlopig heb ik afspraken tot in juli. Dan moet ik een fotografietentoonstelling openen.”

Nog in beste conditie

Decock schrikt dan opnieuw. „Ge zijt hier al drie uur en we hebben nog niets gedronken? Wa moe ge hebben? Een coca?” Hij spoedt zich naar de koelkast en schenkt een glas vol. Zelf neemt hij een glaasje whisky. „Houdt het hart soepel, jongen. Ik ben nog in beste conditie hoor. Amper 66 kilo. Weet je hoe?”

Hij tilt zijn beide benen op en begint fietsbewegingen te maken. „Negenhonderd keer, iedere ochtend.” Dan loopt hij naar de badkamer. „Komt ge mee?” Uit de groenbruine badkuip haalt hij een soort fietspomp, met een ijzeren veer. Zijn voeten steekt hij in twee daarvoor bestemde riempjes. „Elke dag vijftien keer.” Als hij het mechaniek uittrekt, ziet de held van Vlaanderen zichzelf in de spiegel.