Aftands

Vroeger had het omarmen van slordigheid en aftandsheid iets oud-geld-achtigs. „We willen het tabouretje niet wegdoen, want dat is nog door oom Roderik aangeschaft in de zeventiende eeuw.” De gedachte hierachter was: wie zich kon veroorloven om er niet uit te zien, had blijkbaar genoeg klasse van zichzelf.

Sinds er minder klasseverschillen zijn, wil ook de gewone mens in aftandsheid kunnen leven, zonder dat daarop neergekeken wordt. Daar is dan natuurlijk wel een rationalisatie voor nodig. Vroeger heette die rationalisatie bohémien. Of boho. Een tafeltje waarvan een poot was afgebroken, was eigenlijk nog best leuk. Stapeltje boeken eronder, en voilà: boho. Een bril die gerepareerd was met een pleister; daar werd je eigenlijk alleen maar intellectueler van.

Een later excuus voor slordigheid was de term ‘shabby chic’. Stel, de kat heeft de hele bank opengekrabd en ondergekotst. Dat is niet leuk, maar aan de andere kant ben je eindelijk wat je altijd al wilde zijn: shabby chic. Alleen écht heel burgerlijke mensen zouden na zo’n incidentje meteen een heel nieuwe bank gaan aanschaffen bij de Ikea.

Sinds enige tijd is er een nieuwe term bij die gebruikt kan worden om aftandsheid goed te praten. Die term komt uit Japan, en heet wabi-sabi (spreek uit wabbie sabbie). Wabi-sabi betekent dat je de imperfectie moet accepteren. En dat je dus een kom met een barst erin best mag houden. Graag zelfs. Natuurlijk moet je eigenlijk alleen maar heel erg mooie (dure) schalen met een barst erin koesteren, maar wat mij betreft mag dat bakje van de Blokker er ook best bij. En die kapotte kapstok. En die oude kattenbak.