We moeten met hamers naar Mars

Toen hij geen nieuwe universitaire aanstelling kreeg, schreef de mediagenieke onderzoeker Sebastiaan de Vet een boek over planeten.

Processen op planeten kun je gewoon thuis nabootsen, vindt Sebastiaan de Vet: „Met wat olie in een bakblik.” Foto Bram Budel

Op de stoep, tijdens Sail Amsterdam, organiseerde planeetonderzoeker Sebastiaan de Vet (1984) een pop-up sterrenwachtje. Met moderne telescopen toonde hij de pracht van de planeten in ons zonnestelsel aan mensen die eigenlijk naar oude schepen kwamen kijken. „De reacties waren geweldig, vol superlatieven”, herinnert De Vet zich. „Mensen zagen voor het eerst met eigen ogen de kraters op de maan, of de ringen van Saturnus.”

Die drang om zijn kennis en fascinatie te delen, typeert De Vet. De jonge onderzoeker staat met zijn publieksactiviteiten in de schijnwerpers. Bij DWDD bijvoorbeeld, of bij Heel Nederland Kijkt Sterren. En vorige week verscheen zijn eerste boek Praktisch planeetonderzoek voor de zaterdagochtend. Daarmee wil hij lezers tonen dat de andere planeten in ons zonnestelsel minder ongrijpbaar zijn dan je zou verwachten.

Zijn boek schreef De Vet toen hij de boot miste bij de competitieve strijd om wetenschappelijke geldstromen. Maar hij weet van geen wijken. „Het doen van onderzoek en het praten over wetenschap is onlosmakelijk deel van mij.”

Waar komt de drang om over je vak te praten vandaan?

„Je moet wetenschap niet doen vanuit een ivoren toren, daar geloof ik heel sterk in. Kennis heeft pas waarde als je het kunt delen. Als mensen het snappen en je je enthousiasme kunt overbrengen.”

Waarom ben je dan zo enthousiast?

„Ik doe onderzoek naar de verstuiving van zand op Mars, een niche waar in Nederland weinig in gebeurt. Dat is jammer, want het is een van de actiefste processen in het hedendaagse Marslandschap. Op die planeet huist een zandzee van een paar miljoen vierkante kilometers, die ontstaat uit geërodeerd vulkanisch glas. De ijle marswind brengt dat zand in beweging. Daarover bestaan nog onopgeloste vragen.

„Maar wat ik vooral mooi vind, is dat je over dat zand prachtige verhalen kunt vertellen, die je langs miljarden jaren van de geschiedenis van Mars voeren. Ik ben opgeleid als geomorfoloog en heb zo leren kijken naar de landschappen om ons heen. Zandduinen op een andere planeet lijken op zandduinen op aarde. Je weet hoe een zandduin voelt. Je kunt je voorstellen hoe het moet zijn wanneer je als astronaut tegen zo’n zandduin oploopt, in dat mulle zand. Met mijn boek wil ik laten zien hoe tastbaar de planeten zijn. En: ze zijn niet ver weg. Binnen een mensenleven kun je er makkelijk heen.”

Zou je het liefste zelf ooit door het zand van een andere planeet lopen?

„Zelf zal ik vermoedelijk nooit gaan, maar ik zie wel een sterke meerwaarde in het sturen van mensen. Zeker ook geomorfologen. Aan de hand van hoe een landschap eruit ziet, kunnen we vertellen hoe het is ontstaan. Met satellieten en robotkarretjes verrichten we erg goed werk, maar als mens kun je net een stapje verder gaan. Daarvoor moet je ernaartoe. Je wilt met je geologenhamer een steen kunnen openslaan, de structuren voelen en bekijken.”

Je boek heet ‘Praktisch planeetonderzoek’. Wat is er ‘praktisch’ aan onderzoek op planeten waar je niet heen kunt?

„Je kunt planeetonderzoek vaak baseren op het landschap op aarde, maar soms heb je ook experimenten nodig om zo’n buitenaards landschap te begrijpen. Bij een experiment tijdens een paraboolvlucht ontdekte ik met collega’s bijvoorbeeld dat zandlawines zich bij lage zwaartekracht volkomen anders gedroegen. Dat zie je terug in het Marslandschap.”

Je wilt lezers ook laten experimenteren.

„Ja. Elk hoofdstuk bevat een experiment voor aan de keukentafel. De patronen in de hartvormige ijsvlakte op het oppervlak van Pluto zijn bijvoorbeeld het gevolg van convectie. Dat proces kun je gewoon thuis nabootsen, met wat olie in een bakblik voor boterkoek. Wanneer je iets zelf maakt, vertaal je het immense karakter van de planeten naar iets kleins en simpels.”

Planeetonderzoek was in 2015 veel in het nieuws. Begon je daarom juist toen aan je boek?

„Het was een topjaar. We bezochten een komeet en maakten fantastische foto’s van Pluto. Maar dat is niet de enige reden. Ik kon in 2015 ook niet verder als onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Dat bood me de benodigde tijd.”

Je studeerde cum laude af en promoveerde in twee jaar. Waar ging het mis?

„In Nederland moet je na een promotieonderzoek zelf geld meenemen voor een vervolgaanstelling. Dat betekent dat je een beurs moet aanvragen. Het probleem is dat er maar een beperkt aantal beurzen zijn en dat veel goede onderzoekers een aanvraag indienen. Ik heb in twee jaar vier grote projectvoorstellen gedaan en een paar kleinere. Maar ik trok steeds aan het kortste eind.”

Namen je collega’s je misschien minder serieus door je publieksactiviteiten?

„Nee. Ik heb daar nooit negatieve geluiden over gehoord. In projectaanvragen is ‘kennisbenutting’ juist een belangrijk onderdeel. Dat kan een link zijn tussen je onderzoek en het bedrijfsleven, maar ook het doen van publieksactiviteiten. Maar zandverstuiving op planeten is wel een niche. Het bleek lastig om in Nederland hiervoor de handen op elkaar te krijgen.”

Had je dan niet een ander onderwerp moeten kiezen?

„Wetenschap doe je niet omdat in een bepaalde richting veel geld te krijgen is, maar omdat daar interessante vraagstukken zijn die je wilt oplossen. Ik heb niet het idee dat ik een verkeerde keuze heb gemaakt.”

Waar ligt je toekomst nu?

„Gewoon in de wetenschap. Misschien bij onderzoek naar aardse fenomenen, in plaats van verschijnselen op andere planeten. Of in het buitenland, of bij bedrijven. Bovendien wil ik breder blijven kijken dan mijn eigen werkveld. Dit boek schrijven was voor mij soms net zo’n ontdekkingstocht als straks voor de lezer.”