Vraagt vrijheid wél of niet om begrenzing?

Vrijheid staat hoog op het lijstje van maatschappelijke deugden, maar niemand weet wat vrijheid precies behelst. Paul Scheffer en Paul Teule gaan op zoek.

De Maand van de Filosofie, die gisteren officieel van start ging, had moeilijk een actueler thema kunnen hebben dan ‘Over de grens’. Het vluchtelingenprobleem, de discussie over de vrij te bereizen Schengenzone, de bewaking van de Europese buitengrenzen en de vraag of de EU die problemen nog wel aankan zijn het afgelopen jaar, sinds dit thema gekozen werd, alleen maar heftiger geworden. Na ‘Parijs’ en ‘Brussel’ is het probleem van het internationale terrorisme daar nog bij gekomen. Toch spreekt er uit het motto van de filosofiemaand een onmiskenbaar optimisme. ‘Over de grens’ bakent niet alleen een thema af (‘we gaan het over de grens hebben’) maar roept er ook toe op die grens te overschrijden. We moeten kijken naar wat ons vreemd is, we moeten ernaar toe en als het naar óns toekomt moeten we het verwelkomen.

Die geest ademt ook het manifest We zijn allemaal migranten dat op initiatief van Denker des Vaderlands Marli Huijer deze week in Trouw verscheen en door 182 hoogleraren, schrijvers, filosofen en ethici werd ondertekend. ‘Om de angst te bezweren keert Europa zich in een samentrekkende beweging naar binnen,’ zo constateert het manifest, ‘maar angst is een slechte raadgever. Vermijd de valse tegenstelling tussen gastvrijheid en veiligheid. We moeten ons opnieuw laten leiden door een ethiek van openheid’.

In het essay dat Paul Scheffer dit jaar voor de Maand van de Filosofie schreef, betoont hij zich een stuk voorzichtiger. Wie De vrijheid van de grens leest, vraagt zich onwillekeurig af of de titel niet beter omgekeerd had kunnen luiden: De grens van de vrijheid. Wat Europa is, kan ze zijn omdat ze zich een vrije binnenruimte heeft geschapen waarin de deugden waaraan zij hecht (tolerantie, recht van het individu, vrijheid van handelen en meningsuiting) mogelijk zijn, aldus Scheffer. Wat Europa behelst, is ze dankzij haar afbakening: haar grens ís haar vrijheid.

Ongemakkelijke inzichten

Het deze week gepubliceerde manifest richtte zich rechtstreeks tegen Scheffer. Het vraagt om ‘tolerantie, moed en nieuwsgierigheid’ en ‘dat geldt ook voor opinieleiders, journalisten en schrijvers van maand-van-de-filosofie-essays’. Erg overtuigend is het met zijn blijmoedige en politiek niet altijd even relevante aanbevelingen (‘Spreek niet alleen in aantallen’) echter niet. De prijs voor intellectuele moed komt eerder Scheffer toe, die bereid is ongemakkelijke inzichten serieus te nemen en zich daarbij niet teveel lijkt te bekommeren om aaibaarheid.

Zijn belangrijkste inzicht ontleent Scheffer aan de filosoof Hegel: ‘Iets is alleen wat het is binnen zijn grens en door zijn grens.’ Oftewel: we zijn pas wat we zijn oog in oog met wat we níet zijn. Dat hoeft (en mag) ook volgens Scheffer nieuwsgierigheid en zelfs openheid jegens dat andere niet te verhinderen. Maar het veronderstelt wel dat we de afbakening tussen beide serieus nemen. Anders, zo stelt hij vast, zal die grens zelf wraak nemen in een toenemende neiging zichzelf te sluiten. Precies dus wat de opstellers van het manifest vrezen. ‘Ik ben ervan overtuigd geraakt dat een open samenleving alleen binnen grenzen kan gedijen,’ zo concludeert hij al in het begin van zijn essay.

Scheffer toetst die gedachten in het vervolg van zijn boek aan thema’s als globalisering, vluchtelingencrisis, terrorisme en de spankracht van de EU, maar werkt ze eerder in de breedte dan in de diepte uit. Daardoor blijft dit essay, na het veelbelovende eerste hoofdstuk, nogal vlak en blijft de prikkeling ervan beperkt tot veelbelovende aanzetten.

Als vrijheid, zoals Scheffer al in de titel van zijn essay suggereert, het kernstuk van de Europese waarden is, dan vinden we daarvan een dieper gravende analyse in het boek Vrijheid voor gevorderden van de politiek-econoom Paul Teule. Nodig is zo’n analyse, aldus Teule, omdat vrijwel iedere politieke stroming in Nederland vrijheid hoog op het lijstje van maatschappelijke deugden plaatst, maar ‘niemand weet wat vrijheid precíes is’. Uit arrenmoede gaan we daarom stilzwijgend uit van de meest vlakke definitie daarvan: ‘vrijheid is dat je niet belemmerd wordt’.

‘Negatieve vrijheid’ heet dat sinds de Russisch-Britse ideeënhistoricus Isaiah Berlin daarover in de jaren vijftig een baanbrekend essay schreef. Voor een liberaal bestel was dat volgens Berlin voldoende. Ten koste van alles moest worden vermeden dat de maatschappij zich ging richten naar een idee van ‘positieve vrijheid’, waarin filosofen, ideologen en politici meenden te kunnen omschrijven wat er voor ‘werkelijke’ vrijheid allemaal nog méér nodig was. Voor je het weet gaat de staat dat dan dwingend voorschrijven, aldus Berlin, en dat leek hem – met het Russische en Duitse totalitarisme in het achterhoofd – geen aantrekkelijke gedachte.

Privédomeintjes

In Vrijheid voor gevorderden tracht Teule de tegenstelling tussen negatieve en positieve vrijheid los te weken uit de Koude-Oorlogssfeer waarin ze onverzoenlijk leken te zijn geworden. Een samenleving die vrijheid alleen ziet als een wederzijdse aftreksom (elke vergroting van jouw vrijheid gaat ten koste van de mijne) doet niet alleen zichzelf tekort, maar houdt er ook een nogal onrealistisch mensbeeld op na, zo betoogt hij. Menselijk handelen vindt nooit in het luchtledige plaats. Het veronderstelt altijd een georganiseerd veld, waarin vrijheid pas tot bloei kan komen. Een maatschappij die zichzelf uitsluitend opvat als een strijdveld tussen individuen, vergeet dat mensen het grootste deel van de tijd spontaan samenwerken – en daarvan collectief het grootste profijt trekken.

Het liberalisme negeert die inzichten bewust, teruggrijpend op de quasiwetenschappelijke legitimatie van een sociaal-darwinisme dat de hele natuur gedompeld ziet in het bloed van een struggle for survival. Maar ook in de Nederlandse samenleving is dit misleidende ideaal van ‘negatieve vrijheid’ volgens Teule overheersend geworden, met rampzalige gevolgen voor de publieke ruimte. ‘Het maakt mensen tegelijkertijd onbeschoft en lichtgeraakt,’ schrijft hij. Wat een gemeenschappelijke voedingsbodem voor ieders vrijheid zou moeten zijn, valt uiteen in ‘privédomeintjes’. Daardoor gaat het besef teloor ‘dat de publieke ruimte een functionele ruimte is’ waarin de vrijheid zich zou moeten ontplooien in plaats van zich stekelig in zichzelf terug te trekken als een soort privébezit van ieder afzonderlijk individu.

De allergie van liberale partijen tegen dergelijke inzichten (Teule lijkt vooral te denken aan D66, waar hij in 2007 stage liep bij de Tweede-Kamerfractie) wordt deels verklaard door het feit dat confessionele partijen die wél durven te verwoorden. In dit boek laat Teule zien dat het liberalisme zichzelf daarmee alleen maar in de weg zit. Je hoeft het niet met al zijn voorstellen eens te zijn (Teule is verregaand tolerant jegens drugsgebruik, maar direct daarop radicaal negatief over prostitutie) om door de grote lijn van zijn betoog te worden overtuigd. Een liberale samenleving bestaat dankzij het gemeenschappelijke veld waarin individuen pas tot hun recht komen. Scheffer zou daaraan toevoegen dat elk veld altijd een omgrenzing vraagt.