Vechten om onderzoeksgeld

Onderzoeksfinanciering De competitie onder wetenschappers om geld binnen te halen is veel feller dan blijkt uit officiële cijfers. De interpretatie van beleidsmakers is verouderd, stelt het Rathenau Instituut.

Practicumlokaal in het Linnaeusborggebouw op het Zernikecomplex, Rijksuniversiteit Groningen. Foto: Robin van Lonkhuijsen / ANP

Wetenschappers in Nederland zijn behoorlijk afhankelijk van tijdelijke, onzekere projectfinanciering. De competitie om onderzoeksgeld binnen te halen is veel feller dan blijkt uit officiële cijfers, zoals bijvoorbeeld het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gebruikt. Die verhullen de hoge competitiedruk.

Dat is de conclusie van een vorige maand verschenen rapport van het Rathenau Instituut in Den Haag. Het instituut deed gedetailleerd onderzoek naar de geldstromen aan universiteiten en universitair medische centra (umc’s). „Beleidsmakers denken dat het wel meevalt met die competitiedruk. Wij laten anders zien”, zegt Edwin Horlings, een van de vier auteurs van het rapport.

Het scheve beeld heeft volgens hen te maken met de huidige indeling van de geldstromen – in eerste, tweede en derde geldstroom – en wat daar toe wordt gerekend. „Deze indeling is verouderd, en aan vervanging toe”, zegt Horlings.

Met dit rapport vallen puzzelstukjes van de Nederlandse wetenschapsfinanciering op hun plek. Het maakt duidelijk dat de vele klachten van onderzoekers over de gegroeide en hoge competitiedruk geen onzin zijn. Tot voor kort was dit, ook voor het Rathenau Instituut, een raadsel. Het onderzoeksbudget aan universiteiten en umc’s neemt al twintig jaar gestaag toe. De wetenschappelijke staf is navenant meegegroeid. Waarom dan toch al dat geklaag? NRC besteedde er op 24 oktober 2015 uitgebreid aandacht aan, in een special over onderzoeksgeld. De klachten vanuit de universitaire wereld werden toen opgetekend, naast de groei van de totale hoeveelheid onderzoeksgeld.

Onderzoeksfinanciering van universiteiten en umc’s (2014, in mln euro’s)

De angel, zo blijkt nu, zit ’m in de herkomst van het geld. Het aandeel van tijdelijke, en dus onzekere, projectfinanciering is veel groter dan gedacht. Het frustreert onderzoekers steeds meer: het eindeloos schrijven van projectaanvragen, de vele afwijzingen. Hoe efficiënt is dit?

Flexibele schil

Het rapport helpt ook te begrijpen waarom universiteiten zo terughoudend zijn geworden om wetenschappelijke staf in vaste dienst te nemen. De flexibele schil is gegroeid tot 40 procent van het totaal (en 60 met de promovendi erbij).

Naast de vaste, stabiele financiering die universiteiten en umc’s jaarlijks van de overheid krijgen (de lumpsum, de zogeheten eerste geldstroom), kunnen onderzoekers geld binnenhalen door aanvragen te schrijven voor projectfinanciering. Zo werkt bijvoorbeeld wetenschapsfinancier NWO. Die honoreert slechts een (afnemend) deel van het (groeiend) aantal aanvragen – de tweede geldstroom.

Om de verhouding tussen vast en competitief geld te kunnen bepalen, analyseerden de vier onderzoekers van het Rathenau Instituut voor het jaar 2014 in detail hoe de faculteiten van de universiteiten en universitair medische centra (umc’s) aan hun onderzoeksgeld komen. Eén van de belangrijkste conclusies, schrijven ze, is „het groot tekort” aan feitelijke informatie hierover. Dat concludeerde deze krant na eigen onderzoek in oktober ook. En dat maakt, zo stelt het rapport nu, het „vrijwel onmogelijk” om goed gefundeerd beleid te maken.

Voor dit onderzoek, zegt Horlings, hebben ze veel bronnen geraadpleegd: rijksbegrotingen, rijksjaarverslagen, jaarverslagen en jaarrekeningen van universiteiten, umc’s, financiers en instituten. Uiteindelijk komen ze uit op een totaalbedrag – dus vast én flexibel onderzoeksgeld – van bijna 5 miljard euro in 2014.

Als één grote zak

Beleidsmakers schatten de verhouding tussen vaste en competitieve financiering op 10:1. Maar volgens Horlings nemen ze hiervoor de bedragen van de eerste versus de tweede geldstroom dat naar onderzoek én onderwijs gaat. Want zo gaat de lumpsum naar de universiteiten. Als één grote zak. De universiteiten kunnen het vervolgens verdelen zoals ze zelf willen, ze zijn autonoom. Waarom beleidsmakers nooit dieper naar de cijfers hebben gekeken, is Horlings niet duidelijk. Wel weet hij dat ze in hun rapport tot een compleet andere verhouding tussen vast en competitief geld komen, namelijk 1:3.

Bij de eerste geldstroom rekenen zij bijvoorbeeld ook het bedrag dat umc’s jaarlijks via het ministerie van VWS krijgen, wat normaal gesproken niet gebeurt. Maar wat ze er dan weer niet bijtellen zijn de Zwaartekrachtsubsidies, die het ministerie van OCW onregelmatig toekent aan onderzoeksconsortia (in 2012 ging het om in totaal 167 miljoen euro, in 2013 om 153 miljoen). Dat is weliswaar publiek geld, maar niet vast. Verder nemen de onderzoekers de derde geldstroom (contractonderzoek via bedrijfsleven, Brussel, gezondheidsfondsen) ook mee. Dit bedrag is de afgelopen tien jaar sterk gegroeid. In 2014 ging het om 1,6 miljard euro.

En tot slot verrekenden ze nog de zogeheten matching, het feit dat universiteiten geld moeten bijleggen als onderzoekers projectgeld binnenhalen. Dit blijkt een behoorlijke aanslag op de lumpsum te plegen. Van het totaal van 5 miljard euro in 2014 rekent het Rathenau Instituut uiteindelijk 3,7 miljard tot competitieve financiering.

Of hiermee de competitiedruk té hoog is, daarover laten de auteurs zich niet uit. „Dit is een zaak voor het publieke debat”, zegt Horlings. Ook laat het onderzoek niet zien of die druk in de loop der jaren is gestegen of niet. Het vermoeden is van wel, maar er is maar naar één jaar, 2014, gekeken. Het plan is om het onderzoek over meerdere jaren te gaan doen.

Het rapport stelt voor om de indeling van de onderzoeksfinanciering in eerste, tweede en derde geldstroom te veranderen in twee nieuwe verhoudingen: publiek/privaat, en direct/competitief. Maar het ministerie van OCW laat weten die voorgestelde indeling niet over te nemen. Ze is bekend met de problematiek van matching, mailt een woordvoerder. De overheid stelt nu 50 miljoen euro jaarlijks extra beschikbaar aan ‘matchinggeld’ voor onderzoekers die Brusselse subsidies binnenhalen.

Verder heeft het ministerie van OCW twee weken geleden laten weten dat het Rathenau Instituut dé bron van cijfers over wetenschap en innovatie moet worden. Hopelijk vermindert daardoor in ieder geval de verwarring over welke cijfers nu de juiste zijn.