Tijd maken doen we zelf

Wat doet de tijd met ons en wat doen wij met de tijd? Ons vervelen? Maar lege tijd bestaat niet. Safranski’s boek biedt vele zaken met een tijdsdimensie. En de filosoof pleit ook voor een ‘nieuwe tijdspolitiek’.

‘Grandfather Clock’, van Maarten Baas. Op de wijzerplaat maakt een man de tijd zichtbaar. Foto Vincent Mentzel

Als het in filosofie of literatuur over tijd gaat, komt op zeker moment altijd iemand met het bekende citaat uit Augustinus’ Confessiones: ‘Wat is dus de tijd? Wanneer iemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet’.

Rüdiger Safranski (71) laat er in zijn nieuwe boek Tijd. Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden (uitstekend vertaald door Mark Wildschut) geen gras over groeien, hij citeert Augustinus al op de eerste bladzijde. Wat tijd is, laat zich niet in één uitputtende formule samenvatten. Daarom kiest Safranski een omweg: hij benadert het fenomeen tijd ‘door het spoor van zijn uitwerkingen te volgen, dus ik beschrijf wat hij met ons doet en wat wij ermee doen.’

Dat blijkt nogal wat te zijn, zodat Safranski verderop kan stellen: ‘De tijd is de stof waarvan wij zijn gemaakt.’ Het gaat om een metafoor, uiteraard. Tijd is geen stof, geen materie. In werkelijkheid lijken de verhouding zelfs omgekeerd. Wij zijn het die de tijd maken: via onze herinneringen en verwachtingen ontstaat het besef van verleden en toekomst. En van het heden, waar beide in ons bewustzijn samenkomen. ‘Tijdigen’, noemt Heidegger dat, de filosoof bij wie Safranski ook aanklopt voor het begin van zijn rondgang door de tijd en onze omgang ermee.

Dat begin gaat namelijk over de verveling, volgens Heidegger een geschikte grondstemming voor het filosoferen. Er bestaat zelfs een college waarin hij uren lang in de weer is om deze grondstemming bij zijn studenten te wekken, een college dat geen moment zelf vervelend wordt. Voor Safranski is de verveling een geschikte start omdat in die stemming de tijd zelf zich naar de voorgrond dringt doordat zij zo lang lijkt te duren. Safranski spreekt van een ‘verlammend rendez-vous met het pure verstrijken van de tijd’. In het Duitse Langeweile is dit aspect zelfs in het woord voor verveling terecht gekomen.

Thermodynamica

Toch blijkt hier sprake van een misvatting, want wanneer iemand zich verveelt duurt niet de tijd lang, maar zijn er kennelijk te weinig gebeurtenissen die de aandacht bezighouden. Het is een illusie dat we in de verveling de tijd zelf zouden kunnen betrappen. Het zijn pas de gebeurtenissen en hun duur die ons wijzen op de tijd en zijn verstrijken. Een lege tijd bestaat niet. In Safranski’s boek is dat te merken, want het zit overvol met beschouwingen over de meest uiteenlopende zaken, van eugenetica tot massacommunicatie, van thermodynamica tot vooruitgangsdenken en van haute finance tot relativiteitstheorie. Aan bijna alles zit een tijdsdimensie.

Er is ook sprake van diverse tijden, zoals de persoonlijke tijd, de kosmische tijd, de biologische tijd, de gesocialiseerde tijd. Het blijkt dat wij mensen aan zeer verschillende, vaak moeilijk met elkaar te harmoniëren tijdsordeningen onderworpen zijn, al bestaat er in de kunst en de literatuur ook een mogelijkheid om met de tijd te spelen en hem zo op imaginaire wijze, bijvoorbeeld door flashbacks en flashforwards, naar onze hand te zetten. Jammer alleen dat het leven zelf geen ‘replay-knop’ heeft, constateert Safranski droogjes.

Met kennis van zaken en in een heldere stijl worden al deze facetten van de tijd belicht, maar het boek bevat ook nog een cultuurkritische boodschap, uitgelokt door de financiële crisis van het afgelopen decennium. Safranski ontwaart een discrepantie tussen enerzijds de ‘eigen tijd’ van mensen en dingen en anderzijds de moderne neiging tot versnelling en vernieuwing, die er in de financiële wereld toe leidde dat alle risico’s op de toekomst werden afgewenteld. Safranski spreekt van een mentaliteit van ‘eindverbruikers’, die zich ook voordoet bij de omgang met onze energievoorraden (’gematerialiseerde tijd’). Wat er zal gebeuren als straks iedereen het huidige westerse levenspeil voor zichzelf opeist, komt neer op een doemscenario van Schopenhaueriaanse allure.

Safranski bepleit daarom de noodzaak van een ‘nieuwe tijdspolitiek’, die meer rekening houdt met de ‘eigen tijd’, zowel op psychologisch, cultureel, economisch en ecologisch gebied. Hoewel hij vermoedt dat het nog wel even zal duren voordat het thema ‘tijd’ op de politieke agenda wordt gezet, lijkt hij allereerst te denken aan de onderwerping van de economie aan de ‘eigen tijd van de democratische besluitvorming’.

Dat klinkt eerlijk gezegd behoorlijk obligaat. En je kunt je afvragen wat alle gedachten over de tijd toevoegen aan dit nu al bij menigeen levende, maar vooralsnog machteloos gebleken verlangen. Cultuurkritiek is in haar remedies zelden verrassend. Wel geeft de cultuurkritische inzet een actuele urgentie aan deze, alle kanten opspringende, meditaties, die anders wat al te zeer de erudiete, elegant geformuleerde exercitie van een voorbeeldige Bildungsbürger zouden zijn gebleven.