Socioloog zonder angst voor onwelgevallige feiten

Necrologie Jaap Dronkers 1945-2016

De onderwijssocioloog liet politici en beleidsmakers zien dat de werkelijkheid vaak anders was dan gewenst.

Jaap Dronkers in 2005 Foto Freddy Rikken

Begin dit jaar liet de woensdag overleden dwarse onderwijssocioloog nog van zich spreken. De kwestie betrof het „leidend schooladvies” dat in 2014 werd ingesteld. Voortaan is voor een leerling die naar het voortgezet onderwijs gaat niet de CITO-toets én het advies van de school bepalend, maar uitsluitend het schooladvies. Dronkers had al eerder gesteld dat dit ertoe zou leiden dat ouders nog meer druk op de leerkrachten zouden uitoefenen, nu de school zich niet meer op het CITO-resultaat kon beroepen. Het resultaat zou „adviesinflatie” zijn, meer kinderen die naar havo en vwo zouden doorstromen omdat hun ouders dat wensten. Daarmee zou de invloed van het ouderlijk milieu weer toenemen – en dat was nu juist iets wat talloze onderwijshervormers hadden geprobeerd tegen te gaan.

Foto Roel Rozenburg

Jaap Dronkers in 2007. Foto Roel Rozenburg

Dronkers zag zijn vermoeden bevestigd in cijfers die van het ministerie van Onderwijs afkomstig waren. Pikant genoeg had staatssecretaris Dekker eerder laten weten dat de hoogte van de adviezen door het nieuwe systeem niet was veranderd, en Dronkers liet niet na dat de bewindsman in te peperen.

Het was Dronkers ten voeten uit. De onderzoeker mengde zich meer dan menig collega in het publieke debat, en liet vaak zien dat de werkelijkheid gecompliceerder was dan politici, onderwijshervormers en journalisten meenden. Zijn belangstelling gold een klassiek sociologisch thema: sociale ongelijkheid. Hij heeft een groot aantal publicaties op zijn naam staan over elites in het bedrijfsleven, de gevolgen van echtscheiding, verdeling van arbeidsmarkten en de positie van etnische minderheden.

Hij werd bekend door zijn medewerking aan de ranglijsten van scholen voor voortgezet onderwijs die aanvankelijk door Trouw en later door de Volkskrant werden gepubliceerd. Op grond van criteria als toetsresultaten en leerlingsamenstelling kwam Dronkers tot een rapportcijfer voor elke school.

Die belangstelling voor de verschillen tussen scholen kwam voort uit zijn positie in het immer voortgaande debat over de selectie in het voortgezet onderwijs. De socioloog Van Heek had in de jaren zestig betoogd dat de gebrekkige doorstroming van arbeiderskinderen naar het vwo kon worden tegengegaan als er beter naar het advies van de leerkracht werd geluisterd. Zijn collega – en latere minister – Van Kemenade liet echter zien dat het advies van de leerkracht in het voordeel werkte van kinderen uit hogere klassen. Een selectie op zestienjarige leeftijd zou een veel beter middel zijn om „verborgen talent” op te sporen en een „middenschool” was daarvoor de geëigende weg.

Dronkers toonde aan dat de kous daarmee niet af was. Scholen met een vroege selectie – zoals categorale gymnasia – werken in het voordeel van kinderen met vroege prestaties, óók als die uit lagere milieus komen. Scholen met late selectie werken inderdaad in het voordeel van kinderen uit lagere milieus – die vaak pas later goed presteren – maar de gemiddelde schoolresultaten zijn op dat soort scholen weer minder.

Zo bracht Dronkers wel meer nieuws dat niet bij iedereen in goede aarde viel. Echtscheidingen hebben een negatieve invloed op CITO-scores van kinderen, bijzondere scholen presteren beter dan openbare, islamitische scholen doen het beter dan scholen met een vergelijkbaar leerlingenbestand. Op die conclusies was meestal weinig af te dingen. „Ik kan goed rekenen”, zei hij vaak.

Dronkers studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij was hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Tilburg en aan de Universiteit van Amsterdam. In 2001 vertrok hij naar het European University Institute in Florence. In 2009 werd hij op 65-jarige leeftijd benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit Maastricht.