Rusteloze vroegbloeier

Sinds de vroege dood van ballerina Olga de Haas zijn haar prestaties vergeten. Wel geldt haar tragische ondergang als een schandvlek voor andere dansers.

Olga de Haas enToer van Schayck in 1968 Foto ANP

Wat een leven. Een kabbelende jeugd in Amsterdam, als middelste dochter van een selfmade bankemployé en een huisvrouw van nette komaf. Dan, op je achtste, de omslag: op balletles bij Sonia Gaskell, een strenge Litouwse dame die jou haar ‘Olgaatje’ noemt en je duidelijk maakt dat je speciaal bent, dat je een ster kunt worden als je maar hard genoeg oefent en dun genoeg blijft. Mevrouw duwt je voort: naar de nieuwe dansopleiding aan het conservatorium in Den Haag, waar je toewijding en muzikaliteit je tot de beste van de klas maken, en dan naar het net opgerichte Nationale Ballet in Amsterdam.

Op je negentiende word je soliste. Er volgen hoofdrollen, lyrische recensies, interviews en glamourfoto’s in de krant. En intussen: een groeiend, zwart gat van onzekerheid en faalangst, fysieke zelfhaat en een steeds sterkere behoefte om te ontsnappen. Aan alles.

Ballerina Olga de Haas werd nog geen 34 jaar oud, en sinds haar ontluisterende dood aan levercirrose in 1978 is met haar reputatie iets geks gebeurd: haar prestaties en sterkwaliteiten zijn nagenoeg vergeten, terwijl haar ondergang binnen de danswereld een soort schandvlek geworden is, een pijnlijk symbool voor alles wat er in een dansersleven mis kan gaan. Voor sociologe Anna Aalten vormde De Haas’ casus de aanleiding voor een breder onderzoek naar de beroepscultuur (De bovenbenen van Olga de Haas, 2002).

Drankmisbruik

Olga. Morgen dans ik weer van journalist Femke van Wiggen zoomt in op de persoon. Uit talloze incidenten en details doemt een gevoelige, rusteloze vroegbloeier op, begaafd en verslaafd, dapper en doodsbang, eenzaam en altijd door mensen omringd. De Haas was een prater noch een schrijver – meer dan een paar ansichtkaarten liet ze niet na, en ze drukte zich, zo blijkt hier, bij voorkeur uit in grapjes en korte zinnen. Ze hield van haar vak, van het nachtleven en van foute mannen, in die volgorde. Vermoedens over haar drankmisbruik en gevaarlijke lijnmethodes – braken, sennapeulen, laxeer- en dieetpillen – ontkende of negeerde ze, desnoods door tijdelijk uit beeld te verdwijnen.

Van Wiggen combineert grondig archiefonderzoek met wat ze uit interviews met een wijde kring van De Haas’ collega’s en dierbaren heeft opgestoken, en kruipt een paar keer in de huid van haar hoofdpersoon, met onbedoeld soapy effect: ‘Olga’s hart bonst in haar keel’, staat er dan, of: ‘Natuurlijk vraagt Olga zich af of ze hier wel klaar voor is.’

In haar nawoord geeft Van Wiggen toe zich hiermee ‘enige vrijheid’ te hebben veroorloofd; ook heeft ze een paar ‘zeer aannemelijke herinneringen’ die ze niet tot op de bodem kon checken toch in het verhaal opgenomen. Me dunkt dat veel biografen dit doen, zonder het expliciet te vermelden.

Het ongemak komt hier deels voort uit Van Wiggens consequente gebruik van de parafrase in plaats van het citaat en een namenregister ontbreekt; het dankwoord is het enige houvast voor de lezer die toch nieuwsgierig is of Van Wiggen deze of gene ook echt zelf gesproken heeft (het antwoord luidt meestal ‘ja’; met haar inzet is niets mis). Op die ongelukkige vormkeuzes na is Olga een meeslepend boek. Wat een verademing om eens een dansersleven in niet-academische taal te zien voorbijtrekken. De dansgeschiedenis wordt veelal institutioneel (welke gezelschappen) of zuiver artistiek (welke balletten) geboekstaafd, terwijl dít – zweet, tranen en pijn voor pure schoonheid, de onderschikking van het feil- en kwetsbare lichaam aan een hogere uitdrukkingsvorm – is wat ballet zo magisch maakt. Magisch om naar te kijken, en magisch om te doen.

Daarbij is Van Wiggen, die zelf als meisje een paar jaar op een danscarrière afstevende, te goed ingevoerd om een beschuldigende vinger naar wie of wat ook te wijzen ter verklaring van De Haas’ tragiek.

Zwijgcultuur

In plaats daarvan komt een deprimerend cluster aan factoren naar boven, van de zwijgcultuur binnen het gezin De Haas en het fanatisme van Pa tot de spanningen bij het jonge Nationale Ballet, waar de zenuwzieke, trotse Sonia Gaskell door de achterdeur verdween om plaats te maken voor choreograaf Rudi van Dantzig, die een wankele bestuurder bleek. Als beroepsgroep durfden de dansers zich nog nauwelijks te weren: overuren, blessures en vileine opmerkingen van de leiding over vermeende dikte hoorden erbij. Geen wonder, begin je te denken, dat De Haas alleen in de roes nog ontspanning vond. Ze was lang niet de enige die roofbouw op zichzelf pleegde.

Naarmate De Haas verder aftakelt, wint het boek aan kracht. Schrijnend is het verslag van De Haas’ eenmalige reprise van de rol Julia in Romeo en Julia in 1975. Schmierend en verward haalt ze de eindstreep, net. De volgende dag hangt een onverlaat de recensie uit de Volkskrant op het prikbord: ‘Danstalent Olga de Haas lijkt uitgeblust’. Ze is dan dertig.