De extreme eigenzinnigheid van Daniele Gatti is enerverend

Foto Renske Vrolijk

Juist omdat het Concertgebouworkest niet grossiert in chef-dirigenten is de komst van ‘nr.7’, Daniele Gatti, een evenement. Deze week leidt hij zijn laatste programma als chef-op-komst, in augustus is hij er echt en gaat dan met het orkest op tournee langs de grote Europese festivals.

Het programma van deze week is een testcase: Wagners Ouvertüre Tannhäuser voor klankdiepte en spanningsopbouw, Berlioz’ Symphonie fantastique voor kleuring, helderheid en visuele zeggingskracht.

In Wagner-walhalla Bayreuth zorgde Gatti eerder voor opschudding met een extreem trage Parsifal. Ook hier in Tannhäuser moest het ‘maestoso’ komen van een zeer laag tempo (duur: 16 minuten) en werd de puls geheel stilgezet net voor de sprankelende ‘Venusberg’-passage, met contrastwerking als doel. Een ander handelsmerk van Gatti is dat hij ritmische moeren en bouten in de nevenstemmen graag bijterig naar voren haalt. Dat gaf hier een vervreemdende sensatie: alsof je De Nachtwacht in schemerlicht tentoonstelt en een schijnwerper zet op, zegge, de voeten. Het kan. Het mag. Maar aan het slot begonnen de zestienden in de violen te schuiven en vroeg je je af: waarom zou je het willen? In geestelijke wijding noch fysieke opwinding bereikte Gatti hier de bedwelming die in Wagner mogelijk is.

Ook het eerste deel van de Symphonie fantastique werd gekenmerkt door extreem variabele tempi. Die zou je spannend kunnen noemen, maar hier braken ze de spanning.

Was er dan helemaal geen vervoering? Zeker wel. Zijn eigenzinnigheid mag enerveren, Gatti kan het orkest verleiden tot grote klanksensualiteit, zoals in Un bal. Dat was prachtig, net als de althobosolo van Miriam Pastor Burgos in de Scène aux champs en de lekker pomperige Marche au supplice.