Bij Sparta komt het altijd goed

Eredivisie De vraag is niet of, maar wanneer Sparta kampioen wordt, volgens fans. Een club met een kasteel hoort in de eredivisie.

Misschien wel de grootste fan van Sparta: Cor Sluimer. Foto Rien Zilvold

Bij slagerij Ooteman aan de Oude Binnenweg, de ochtend nadat Sparta er in Oss weer drie punten bij pakte, begin maart. Man, middelbare leeftijd, type joviale Rotterdammer: „Jij hebt zeker weer een fijne avond gehad gisteren?” De slager speelt onbegrip. „Hoezo?” „Met 2-1 gewonnen!” laat de man zich niet uit het veld slaan. „Het kampioenschap binnen handbereik.”

De slager glimlacht, je zou het zuinig kunnen noemen. Triomfantelijker dan dat laat hij zich niet kennen; hij wil duidelijk de goden niet verzoeken.

Misschien was die glimlach voor de goden toch genoeg om aanstoot aan te nemen. Een week later was er weliswaar nog winst tegen Emmen, maar een paar dagen daarna kwam door verlies tegen Almere een einde aan een fraaie reeks van acht gewonnen wedstrijden. Een wedstrijd later werden in eigen stadion punten gemorst met een gelijkspel tegen Fortuna Sittard.

Sparta kán nog kampioen worden op zijn 128ste verjaardag (vandaag), maar alleen winnen van NAC is dan niet voldoende. VVV Venlo en FC Eindhoven, de nummers 2 en 3 in de Jupiler League, moeten meewerken door te verliezen van respectievelijk FC Den Bosch (op 14) en RKC Waalwijk (de hekkensluiter op 19) of hooguit gelijk te spelen.

Sylva Homburg durft het ‘K-woord’ niet in de mond te nemen. Zij is coördinator studiebegeleiding bij de jeugd van Sparta. „Ik heb al zoveel meegemaakt”, zegt ze. „Laatst werd er op de radio over het kampioenschap gespeculeerd. Ik kan dat niet horen, ik heb de radio uitgezet.”

Mochten de voetbalgoden vanavond Sparta het kampioenschap (en daarmee promotie naar de eredivisie) gunnen, dan zal ze daar fysiek niet bij zijn. Haar gewoonte getrouw zal ze voor aanvang van de wedstrijd het Spartalied meezingen om zich nog tijdens de aftrap het stadion uit te haasten. „Ik kan niet tegen de spanning”, verklaart ze. Pas bij een verschil van drie punten waagt ze zich weer in het Kasteel. Aan het lawaai dat het publiek maakt, kan ze horen wat er op het veld gebeurt.

In het kantoortje waar ik haar spreek – T-shirts van Viergever, Strootman en Willems ingelijst aan de wand – klopt ze het af tegen de onderkant van het tafelblad zodra ik zelfs maar hint naar het kampioenschap.

Studiebegeleider Cor de Jong is wat dat betreft minder bang. Hij maakt de koele berekening van winst en verlies en als het niet vanavond lukt, dan toch zeker in een van de vijf daarna nog te spelen wedstrijden. „Dat moet verdorie toch wel lukken. Maar ik snap wel dat de angst er goed in zit. Het zou een soort Hitchcockscenario zijn als het nu nog fout afloopt”, zegt De Jong, die vorig jaar als schrijver debuteerde met de voetbalroman De aanname.

„De vraag is nu niet”, verwoordt Ger Koedam van Café Ari zijn stellige overtuiging, „óf ze kampioen worden, maar wanneer.” Als dat vanavond is, is hij erbij met zijn buurman Jules Deelder, want getweeën bezoeken ze alle thuiswedstrijden, al jarenlang. Uitwedstrijden deden ze ook, maar daar zijn ze mee gestopt. Koedam: „Je zit in een kooi, je krijgt niet te zuipen. Je wordt ouder en je krijgt steeds meer dorst, dus nee, dat is niks.”

Hoe komt het dat zelfs bij een slager op vier kilometer van het Kasteel Sparta onderwerp van gesprek is, zoals het de laatste weken trouwens door de hele stad zoemt? „S P - A R - T A…”

Wat is het dat Sparta zo bijzonder maakt dat zelfs ik (wie mij van vroeger kent zal raar opkijken) geen thuiswedstrijd probeer te missen? Dat ik mij moet inhouden om me niet met de monoloog bij de slager te bemoeien, omdat ik diep in mij de behoefte voel om te laten merken dat ik erbij was toen in de legendarische erop-of-eronder-wedstrijd op 16 mei 2010 Sparta in de allerlaatste minuut scoorde en dus niet degradeerde (hoogste euforie) en in diezelfde allerlaatste minuut een tegendoelpunt moest incasseren en dus wel degradeerde (diepste treurnis). Stadgenoot Excelsior had aan gelijkspel voldoende om in de eredivisie terug te keren, Sparta móest winnen om in de eredivisie te blijven.

Zes jaar later voelt iedereen die erbij was nóg de pijn. Ook wie er niet bij was: Sylva Homburg dus. Ze maakte met Kevin Valkenburg, manager bij de jeugd en net als zij docent aan het Montessori Lyceum Rotterdam (waar overigens ook Cor de Jong lesgeeft), anderhalf uur lang rondjes door Spangen. „We hadden het niet meer”, herinnert ze zich. „Tot het stadion zo ongeveer ontplofte. Ik zal nooit het gezicht van Kevin vergeten. We zetten het op een lopen richting het Kasteel, maar vrijwel meteen hoorden we weer gejuich. Ander gejuich, minder luid. We begrepen wat er was gebeurd.”

Foto Marco de Swart / ANP

Foto Marco de Swart / ANP

„Alsof ik met een voorhamer een klap op mijn kop kreeg”, zegt Ger Koedam. „Ik ben de naam van de trainer zelfs vergeten: die stond nog te juichen langs de zijlijn toen we de eredivisie werden uitgekegeld.”

In zijn boek Waarom ik zo van Sparta hou beschrijft journalist Hugo Borst die laatste minuut in blessuretijd. Na de 1-0 van Poepon moet zijn hartslag tegen de 180 lopen. „Waarom fluit de scheidsrechter niet af? Die vier minuten hebben we al vol gejuicht. […] Van Steensel wint het kopduel van twee Spartanen. Jezus. De bal komt bij Fernandez, die — hoe kan dat nou? — vrij staat. […] Fernandez neemt ‘m aan en schiet meteen. Hij zit erin.”

Borst: „Ik vind het niet ongelofelijk. Ik geloof het meteen. Ik heb het dit seizoen altijd geweten.” Ook bij hem is trainer Aad de Mos de zondebok, de man wiens naam Ger Koedam heeft verdrongen.

„Het gekke is”, zegt Ger Koedam, „dat Sparta degradeerde met het sterkste elftal dat we ooit hebben gehad. Met spelers als Strootman, Viergever, Poepon, Duplan gegradeerden we! En nu, met volkomen nieuwe spelers, worden we kampioen. Dat zegt veel over de trainer.”

De huidige trainer is Alex Pastoor. „Hij brengt saamhorigheid”, zegt Koedam. „Voor de spelers is hij heel goed. Hij weet hoe hun kinderen heten, waar ze naar school gaan, hij informeert dagelijks naar hun wel en wee. Hij heeft een plan en daar is hij consequent in. Organisatie. Zelfvertrouwen. Mooie opbouw. Ik heb laatst echt genoten van de benefietwedstrijd tegen Feyenoord.”

Is het typisch Spartaans om uitgesproken lof in één adem door te relativeren? Koedam: „Bij vlagen dan, want soms denk je: wat doen ze nou?” Om ook dat weer te relativeren. „Maar bij vlagen is het heel aantrekkelijk voetbal, ineens, dat heeft jaren geduurd. Ze zijn echt eredivisiewaardig.”

Supporters van Sparta hebben sterke zenuwen, misschien door het rood-wit dat hen in het bloed zit. Hoe is het anders te verklaren dat het Kasteel al die vermaledijde vrijdagavonden na de degradatie van 2010 (Sparta degradeerde voor het eerst in 2002, om in 2005 weer te promoveren) steeds weer volstroomt?

Ger Koedam houdt het op de loyaliteit die Rotterdammers ingebakken is. „Bij Sparta ging het tot voor kort jarenlang niet goed. Er zijn zelfs wedstrijden geweest dat we alleen gingen om het Spartalied te zingen omdat het verder niet om aan te zien was. We vinden het niet zo erg om te verliezen, als het maar strijdend gebeurt. Gesneuveld in de schoonheid van de poging. Sparta geeft het in het laatste halfuur vaak weg.

„Maar Sparta is de enige club ter wereld met een kasteel en een eigen dichter (Jules Deelder, red.). De sfeer is altijd goed, er zijn nooit vechtpartijen. Je gaat er met je familie naartoe, je neemt je kinderen mee.”

Dat beaamt iedereen die ik voor dit verhaal spreek. Ger Koedam: „Mijn vader had me al lid gemaakt voordat hij mij inschreef bij de burgerlijke stand.” Schrijver-docent Cor de Jong heeft al vijftien jaar een seizoenskaart, net als twee van zijn broers; de derde koopt af en toe een losse kaart: „Ik ga met mijn familie en met collega’s”, zegt hij. Sylva Homburg vult aan: „Voor de wedstrijd zitten we bij mij thuis met een man of vijftien aan tafel, een zoete inval voor docenten van het Montessori Lyceum. We eten patat en kroketten en frikadellen en voor de vegetariërs zoals Cor zijn er kaassoufflés. En dan naar het stadion.” Ze somt de namen van haar collega’s op en vervolgt: „O, en meneer Santema is er ook altijd bij; hij geeft economie op het Montessori. Mijn oudste zoon, maar dat terzijde.”

Bij haar komt het ook van haar ouders. „Mijn vader en moeder waren bij het landskampioenschap in 1959. Ik mocht als baby al mee naar wedstrijden.”

Laurens Borst, de acht jaar oudere broer van Hugo, zendercoördinator van Radio 1, was al baby-af toen zijn vader hem meenam naar het Kasteel. Hij geeft eerlijk toe dat het voetbal hem maar matig boeide. „Dat zal hem wel verdriet hebben gedaan. Ik had andere hobby’s.” Gelukkig voor vader Borst sloeg het later bij Hugo beter aan.

„Mijn vader kwam uit een kerkelijk gezin in Crooswijk”, zegt Laurens Borst. „Voetbalwedstrijden bezoeken was natuurlijk niet toegestaan. Maar mijn vader was zo’n liefhebber dat hij als jongetje van acht op zondag met de tram naar het Spartastadion ging, stiekem.”

De laatste jaren bleek toch ook bij Laurens het rood-wit uit het clublied (uit 1909) in het bloed te zitten. Hij heeft zelfs een vaste plek in Vak 22.

Het duurt soms even, maar bij Sparta komt het altijd goed.