Bij joden keek men liever weg

Frits Boterman komt met een nieuw standaardwerk van de bezetting. Op één vraag geeft hij tegengestelde antwoorden.

Duitse soldaten bezoeken Artis in Amsterdam in mei 1940 Foto Spaarnestad Photo/Hollandse Hoogte

Nog steeds verschijnt jaarlijks een stortvloed aan boeken over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Meestal gaan ze over het dagelijks leven, angst en ontbering, of de tragische lotgevallen van één hoofdpersoon of familie. Door die focus dreigen structurele vragen op de achtergrond te raken. Hhoe konden de nazi’s zo makkelijk de Nederlandse samenleving onder controle krijgen? Waarom was er amper weerstand? En de meest kwellende vraag: hoe kon het dat in ons land 75 procent van de joden werd gedeporteerd en vermoord, terwijl dat in België 40 procent was en in Frankrijk 25 procent. Deze vragen staan centraal in Duitse Daders van historicus Frits Boterman, die zich daarvoor baseert op het recentste onderzoek.

Met Duitse Daders heeft hij een actueel overzichtswerk over de Duitse bezetting willen schrijven. Voor die keuze valt veel te zeggen: er is nog steeds geen nieuw standaardwerk over de bezetting verschenen sinds Loe de Jongs Koninkrijk der Nederlanden, waarvan het eerste deel in 1969 uitkwam, gevolgd door dertien dikke andere delen – veel te omvangrijk voor een breed publiek.

Al jaren wordt geroepen dat De Jong te moralistisch over de oorlog schreef, wat wel meevalt als je hem nu leest. Maar ruim zeventig jaar na de bevrijding is er toch behoefte aan een compact en toegankelijk overzichtswerk dat op een eigentijdse manier omgaat met de zo gewraakte goed-foutdiscussie, die even onontkoombaar als onuitstaanbaar is in al haar gemakzuchtige wijsheid achteraf.

Botermans invalshoek is op zichzelf origineel: door zijn verhaal consequent te beginnen met de maatregelen die de bezetter invoerde, ontstaat een helder perspectief. Het waren tenslotte de nazi’s die de Holocaust instigeerden, waar de Nederlandse bevolking noodgedwongen op moest reageren. Boterman spreekt wat formeel van ‘actieve of defensieve collaboratie’ en ‘defensief en offensief verzet’, maar dat doet meer recht aan de vaak duivelse dilemma’s waar Nederlanders voor gesteld werden dan het simplistische ‘goed’ of ‘fout’.

Kort en bondig

Nadeel van deze aanpak is dat het, met name in hoofdstuk 1, resulteert in taaie passages vol bestuurlijke instanties, namen van de verantwoordelijke ambtenaren en verordeningen. Maar even vaak heeft dat juist een indringend effect. De grote lijn van wat de nazi’s voor ogen hadden wordt glashelder: de volledige verwijdering van alle joodse Nederlanders uit de samenleving. Dat werd al duidelijk door de Ariërverklaring van 5 oktober 1940, die bijna 200.000 ambtenaren zonder morren tekenden. Tien mensen weigerden.

In de loop van 1941 volgde de ene anti-joodse maatregel na de andere, tot in 1942 de deportaties begonnen. Aan het einde van dat jaar waren al 40.000 joden naar Westerbork afgevoerd. De vertegenwoordiger van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken berichtte in november 1942 aan Berlijn: ‘De jodentransporten verlopen zonder incidenten en de Nederlandse bevolking heeft er in het algemeen geen belangstelling voor.’

De twee hoofdstukken over de deportaties van joodse Nederlanders en de daaropvolgende massamoord zijn de beste van Duitse Daders. Boterman beschrijft de tragedie sober en met veel inlevingsvermogen. Juist door die distantie en de link die je als lezer legt met de hoofdstukken over de geringe weerstand die de bezetters vanuit de Nederlandse samenleving ondervonden, komt de omvang van het drama hard aan. Duitse Daders bewijst hier zijn nut: een moraliserende toon is niet nodig als het om de Holocaust gaat. Een helder overzicht van de feiten is genoeg.

Des te teleurstellender is het dat Boterman in gebreke blijft in zijn hoofdstuk over de cruciale vraag wat de gemiddelde Nederlander nu precies wist over het lot dat hun joodse landgenoten – 102.000 in totaal – na deportatie te wachten stond? Die vraag heeft sinds 2012 voor felle discussies gezorgd naar aanleiding van Bart van der Booms studie Wij weten niets van hun lot. Van der Boom onderzocht 164 dagboeken en concludeerde dat de meeste Nederlanders weliswaar wisten dat de gedeporteerde joden de oorlog waarschijnlijk niet zouden overleven, maar dat ze geen kennis hadden van het bestaan van gaskamers in Auschwitz en Sobibor. Van der Boom wekt in zijn boek bovendien de indruk dat als de Nederlanders wél van de industriële massamoord hadden geweten, ze massaal in opstand zouden zijn gekomen. Vooral dit laatste punt zorgde voor felle kritiek.

Ophef

Boterman vat de ophef rond Van der Booms boek samen als een ‘weinig zinvolle discussie’. Daarmee wekt hij de indruk een afgewogen eindoordeel over de kwestie te hebben. Maar in Duitse Daders komt hij niet veel verder dan een overzicht van de informatiestromen die er in de bezettingsjaren waren, ooggetuigenverslagen, artikelen in de illegale pers, berichten van de geallieerde regeringen: van verschillende kanten kwamen er verontrustende geluiden over gaskamers en massamoord op industriële schaal. Achteraf gezien is zo’n overzicht van wat mensen hadden kunnen weten hemeltergend, maar de cruciale vraag blijft hoe doorslaggevend die berichten waren voor de tijdgenoten, te midden van alle chaos en angst.

Op die vraag geeft Boterman tegengestelde antwoorden: ‘Velen hebben het geweten’, maar de ‘meeste mensen keken weg,’ schrijft hij. Om even later te concluderen dat mensen het zich simpelweg niet konden voorstellen, en daarom niet in actie kwamen. Terwijl hij elders in hetzelfde hoofdstuk weer beweert dat de meeste mensen sowieso passief en afwachtend zouden zijn gebleven, ook al hadden ze van de gaskamers geweten.

Boterman probeert zich nog uit de situatie te redden door te concluderen: ‘Het feit dat niet iedereen van alle details op de hoogte was, is logisch en is ook niet het belangrijkste punt.’ Om één zin later te besluiten met: ‘Massaal verzet ontbrak en men bleef passief, niet omdat men onwetend was, maar omdat de enorme omvang, de methodiek en de industriële uitvoering van de genocide door middel van gas volstrekt uniek was. De Holocaust vroeg om een antwoord dat verreweg de meesten niet konden bedenken.’ Die ‘details’ rond de uitvoering van de Holocaust deden er dus wel degelijk toe.

Eén argument, dat niet naar voren kwam in de discussie die Van der Boom initieerde, en dat ook Boterman niet noemt, ligt feitelijk voor het oprapen: er ontstond tijdens de bezetting wél massaal verzet, maar pas in reactie op de intensivering van de Arbeitseinsatz in 1943: toen honderdduizenden van de ‘eigen’ jongens gedwongen in Duitsland moesten werken kwam er grootschalige hulp voor onderduikers op gang. Het leidt tot een sombere conclusie, die door de globale cijfers wordt ondersteund: de overgrote meerderheid van de Nederlanders kwam niet opstand tegen de Holocaust, omdat ze zich niet met hun joodse medeburgers verwant voelden.