‘93% reformatorische jeugd vindt homoseksualiteit onaanvaardbaar’

Dat zei oud-parlementariër Coos Huijsen in een interview met dagblad Trouw.

Foto

De aanleiding

Coos Huijsen kwam in 1976 als parlementariër uit de kast en schreef daar onlangs een boek over, Homo Politicus. In een interview met Trouw naar aanleiding daarvan zei hij: „Laatst las ik ergens dat 93 procent van de reformatorische jongeren homoseksualiteit onaanvaardbaar vindt. Dat wil zeggen: dat je homo bent is niet jouw schuld, maar je bent wel zondig als je er iets mee dóet.”

Waar is het op gebaseerd?

Huijsen las het percentage in een artikel op gay.blog.nl, laat hij weten. Het artikel gaat over een onderzoek van begin deze maand van het Reformatorisch Dagblad (RD), naar opvattingen van 1.100 reformatorische mensen tussen de 26 en 40 jaar.

Op de vraag of homo’s hun seksuele geaardheid mogen praktiseren, antwoordt 93 procent van niet, 4 procent vindt dat dit alleen binnen een vaste, monogame relatie kan en drie procent vindt dat dit wel kan.

En, klopt het?

Allereerst een nuance van RD-hoofdredacteur Steef de Bruijn: de resultaten betekenen niet dat de overgrote meerderheid van de reformatorische mensen onder de 40 jaar homo’s afwijst, zegt hij. „Ze keuren het gedrag af, maar wenden dat niet af op de persoon. De acceptatie van homo’s als mensen is juist sterk toegenomen.” Een respondent verwoordt die houding zo: „We moeten zondaren liefhebben, maar de zonde haten, zoals Jezus dat deed.”

Mensen deden op vrijwillige basis mee aan het onderzoek; via mail, Facebook en de RD-site werd een oproep verspreid. Maar volgens De Bruijn zijn de deelnemers „behoorlijk representatief” voor de RD-achterban van bevindelijk gereformeerden. Dat ziet hij af aan het aantal SGP-stemmers onder hen (acht op de tien) en hun verdeling over verschillende kerken.

Klopt het percentage? Willem Huijnk van het Sociaal Cultureel Planbureau deed eind 2014 onderzoek naar de homoacceptatie door religieuze groepen. Hij maakte onderscheid tussen rooms-katholiek, protestanten, overig gereformeerden (waar de RD-achterban onder valt) en de evangelische stroming. Toen bleek dat 44 procent van de ‘overig gereformeerden’ negatief tegenover homo’s staat. 80 procent van hen vindt seks tussen twee mannen walgelijk. Van alle religieuze groepen is de aanvaarding van homo’s bij orthodox-protestanten en moslims het laagst, vooral als het gaat om expliciet homoseksueel gedrag.

Een percentage van 93 procent verbaast Huijnk dan ook niet, al is het een stuk hoger dan uit zijn onderzoek naar voren kwam. Mogelijk omdat hij een bredere groep onderzocht, zegt hij. „Maar het feit dat er maar liefst 1.100 mensen hebben meegedaan zegt veel. En of het nu 70 of 90 procent is: ik denk dat de conclusie dat een overgrote meerderheid van de reformatorische jongvolwassenen vindt dat een homo zijn seksuele geaardheid niet mag praktiseren, gerechtvaardigd is.”

Godsdiensthistoricus David Bos, die in 2010 homoacceptatie binnen de protestantse kerk onderzocht, voegt toe dat principes niet veel zeggen over de manier waarop met homoseksualiteit wordt omgegaan. „Braaf zeggen dat het niet mag, betekent niet dat ze iemand die homo is de rug zullen toekeren. Dat geldt omgekeerd ook: algemene onderzoeken laten zien dat bijna alle Nederlanders homoseksualiteit accepteren, maar een deel neemt er aanstoot aan als homo’s met elkaar zoenen.”

Conclusie

Het RD-onderzoek is representatief en wordt gesteund door andere onderzoeken. De jongeren maken wel onderscheid tussen homo zijn en homoseksualiteit praktiseren, waarbij velen vooral dat laatste niet aanvaarden (zoals Huijsen de bewering ook uitlegt). We beoordelen de stelling daarom als grotendeels waar.