Vrouwen kneden uit ijzer en papier

De expositie ‘Picasso Sculptures’ in Parijs geeft een omvangrijk overzicht van Picasso’s beeldhouwkunst. Geen materiaal zo gek of hij maakte er een beeld van. In alles zag Picasso tegelijk materiaal en onderwerp.

onder:Femme à l’enfant (1961)

Zijn handen kenden geen rust. Op een plankje in de eerste vitrine van Picasso – Sculptures in het Parijse Picassomuseum is meteen duidelijk dat geen enkele tentoonstelling kan verklaren hoe constant Picasso aan het scheppen was. Op dat ene plankje staan tien ranke, uit hout gesneden vrouwen, allemaal in 1930 gemaakt. Sierlijk als Griekse godinnen, maar ook haastig gemaakt, alsof zij tussendoortjes zijn om de handen bezig te houden. De grootste is een centimeter of 45 hoog, de kleinste 15. Ze zijn alle tien anders, maar nauw verwant. Leefde Picasso zich uit in variatie, of zocht hij een ideale vorm?

In zijn cruciale jaren in het begin van de twintigste eeuw, toen hij de realistische afbeelding van de werkelijkheid verving door een kubistisch spel met vormen, had hij al die onvoorstelbare scheppingszucht. En 25 jaar later kon hij nog net zo spelen met de vormen die het hoofd van zijn geliefde Marie-Thérèse moesten voorstellen. Uit vloeiende hompen klei boetseert hij in 1931 en 1932 de ene na de andere versie van zijn beroemde beeld Tête de Femme. Uit datzelfde onderzoek hangen aan de muur ook nog eens twintig houtskoolschetsen.

Een deel van het antwoord op de vraag waar die onstuimige energie vandaan komt, geeft een beeld van apin met kind uit 1951. Haar volstrekt realistische en uitdrukkingsvolle gelaat is een speelgoedautootje. Toegevoegd aan het hoofd zijn twee bolletjes als pupillen in de voorruit en twee oren aan de achterdeur. Alles wat Picasso ziet of voelt, is materiaal dat om een nieuwe verbeelding vraagt. Hij ziet de werkelijkheid als een samenhangend vormenspel dat hij als kunstenaar moet analyseren. Als hij klaar is, is de auto een hoofd geworden en bijvoorbeeld een gaskraan de trotse kam van een vogel, een paar boutjes en een moer de benen van een liggend naakt. En iedereen weet wat je krijgt als je een fietsstuur en een zadel samen ophangt.

Hoe hij in de jaren dertig en veertig werkt, maakt de expositie niet duidelijk. Maar als hij in de jaren vijftig gips, klei en readymade vervangt door meer tweedimensionale beelden van papier, wijdt het museum daar een hele zaal aan. Picasso beschrijft het zelf zo: „Eerst begin ik met vellen papier die ik dubbelvouw, opvouw, snij, nog eens vouw, en als ik klaar ben met het papier, dat kwetsbaar is en bij de geringste aanraking zijn vorm verliest, dan maak ik het steviger van metaal […]. Eigenlijk is het een laboratorium.”

Stukken karton – gevouwen, ingeknipt en met krijt betekend – worden vrouwenhoofden, dansende lichamen. ‘Blanc’ en ‘noir’ krabbelt hij haastig op het papier als kleuraanwijzingen.

In 1961 – Picasso is 80 jaar – buigt, snijdt en verft hij vellen metaal tot vrouwen, zoals het schitterende naakt dat een kind hoog boven haar hoofd tilt. Haar borsten twee halfronde sneden rond iets naar voren gebogen metaal. Haar geslacht een lome driehoek met een knipje, haar navel een ingezaagd spiraaltje.

Zo onderzoekend naar de wereld kijken en in alles tegelijk materiaal zien en onderwerp, dat is het genie van Picasso. Dat, en zijn tomeloze energie zijn de sterke punten van deze eerste thema-expositie in het twee jaar geleden heropende Picassomuseum. Een groot deel van de werken was tot februari in het MoMA in New York te zien. De schilderijen waar het Parijse museum anders vol mee hangt zijn wegens een herinrichting tot 12 april verdwenen en dat is jammer. Want op de expositie zelf is het verband tussen zijn beeldhouwwerk en schilderijen onderbelicht. Terwijl de conclusie zo duidelijk is: voor Picasso was alles één. Schilderijen zijn beelden en beelden zijn schilderijen.