Vrouwelijke schrijvers laten zich te vaak overmeesteren door gekte

Als vrouwen romans schrijven, bouwen ze hun karakters opvallend vaak op aan de hand van gekte, vindt Jan van Mersbergen. ‘Als mijn moeder de afwas doet, dan doet ze de afwas. Zo’n scène, zonder getob en gepieker, is goud waard.’

ANP PHOTO KOEN SUYK

Het grootste probleem van vrouwen die romans schrijven is dat ze hun karakters opbouwen aan de hand van gekte. Virginia Woolf had op haar dertiende haar eerste zenuwinzinking, daarna maakte ze van schrijven haar beroep. Dat duidt naast gekte op iets anders: luxe. Woolf kon niet alleen schrijven door haar talent, maar vooral door haar Victoriaanse afkomst. Andere vrouwen, met wellicht evenveel talent, hadden de mogelijkheid tot schrijven niet.

Tegenwoordig zijn heel veel schrijvers vrouw – een teken dat het goed gaat met de moderne luxe samenleving, de emancipatie en misschien ook met de literatuur. Het schijnt dat deze schrijvers minder besproken worden dan hun mannelijke collega’s en dat ze minder prijzen winnen, de kansen om te schrijven en te publiceren zijn er voor vrouwen de laatste honderd jaar veel groter op geworden, wat ik echter in veel boeken tegenkom is dezelfde gekte als bij Virginia Woolf. Hoort dat bij vrouwen, hoort dat bij de inmiddels alom aanwezige luxe of blijven vrouwen die schrijven hangen in het stramien dat Woolf schiep?

Ik lees momenteel Misplaatst, van Nell Zink, over een lesbische vrouw die trouwt met een hoogleraar poëzie die op zijn beurt homoseksueel is. Heel goed geschreven boek, erg dramatische situatie, maar hoofdpersoon Peggy is vooral gestoeld op gekte en onberekenbaarheid. Ze rijdt een auto het water in omdat haar man haar te weinig liefde geeft, maar ook omdat ze maf is. ‘U bent me er een,’ zegt de man van de beveiliging als de auto onder water verdwijnt. Deze gewone man accepteert haar gekte.

Waarom worstelt een moeder in een verhaal van Elke Geurts zo met het moederschap dat ze doet alsof ze de au pair van haar eigen kinderen is? Is onze maatschappij voor jonge moeders zo ingewikkeld en of is die moeder gek? Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw. Die titel zegt genoeg. Annelies Verbeke laat haar labiele personages vissen redden of ze hebben moeite met in slaap vallen. Jente Posthuma schrijft een blogreeks op de site van de Revisor – over moederschap en gekte.

Wat ook voor komt: vrouwen die boeken schrijven waarin ze kunstenaarschap en gekte combineren – net als Woolf. Connie Palmen schetst in Jij zegt het een mooi beeld van dichteres Sylvia Plath, een vrouw waarin volgens het juryrapport van de Librisprijs ‘woeste waanzin is gekropen’. Ook zij. Niña Weijers voert in haar debuutroman De consequenties ook een kunstenares op die vecht tegen liefdesverdriet en die gefascineerd is door performancekunstenaar Marina Abramovic. In die verhalen mis ik een vrouw met een leven waarin waardes niet uit gekte of kunst te halen zijn, maar uit contact met anderen, familie, werk, school – de werkelijk basis van het leven. Geen abstracties, geen gepieker. Waarom kunnen deze karakters dat niet, en waarom kunnen vrouwelijke schrijvers daar zo moeilijk bij, of vertrouwen ze er niet op dat die waarden ook belangrijk of veelzeggend kunnen zijn?

Het enige Nederlandse voorbeeld dat me te binnen schiet van een roman, geschreven door een vrouw, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon niet gek is: Dorsvloer vol confetti, maar in dat boek is de rest van de familie geloofswaanzinnig en dus eigenlijk is het meisje in hun ogen wel weer gek. Toch is het fijn dat Franca Treur een karakter opvoert dat simpelweg leven wil, en het leven wil vieren. In de boeken van Annie Proulx is ook weinig plaats voor gekte, maar dat komt omdat het boerenleven dat zij neerzet zo hard en weids en zwijgzaam is, daar is ook geen plaats voor gekte, het ligt echter wel op de loer.

Toch nog een ander mooi Nederlands boekje: Dooi, van Rascha Peper. Daarin is het hoofdpersonage gewoon aan het schaatsen. En Marente de Moor laat in De Nederlandse maagd haar personages schermen. Het kan dus wel, en sport is een eenvoudig en doeltreffend handvat, maar heel vaak overmeestert de gekte onze vrouwelijke schrijvers en daarmee hun romans, en dat vind ik tekenend en jammer.

Als mijn moeder de afwas doet, dan doet ze de afwas. Dan droog ik de borden. Dan zijn we samen. Zo’n scène, zonder getob en gepieker, is goud waard. Ik heb geen idee waarom vrouwen die schrijven menen dat een roman niet zonder gekte of kunst kan, ik wil deze schrijvers wel het voorbeeld meegeven van mijn moeder, die voor een gezin zorgde omdat ze de plaats van mijn oma in nam toen zij er niet meer was, die stapels brood smeerde voor haar oudere broers voor ze naar hun werk gingen, die geen poëzie studeerde aan de universiteit van Nell Zink, die geen auto reed zoals de afwasloze Peggy uit Misplaatst, en die dus ook geen auto’s het water in reed, maar die vol trots naar de moedermavo ging omdat ze nooit de kans had gehad buiten de huishoudschool iets te leren, maar wat ze in haar leven al wel geleerd had.

Gekte kun je beter buiten de deur houden, en ook buiten een boek.

Jan van Mersbergen is schrijver.