Vooral in toegiften overtuigt Fleming

Operadiva Renée Fleming wil minder opera zingen. Daarmee komt meer tijd vrij voor het liedrepertoire. Dat stuit wel op twee problemen: Flemings gulle stem laat zich niet zomaar beteugelen tot het intieme lied. En haar glamourstatus sluit optredens in kleine zalen uit – waarop het kleine lied in grote zalen verdrinkt. Het scheen recent in Carnegie Hall te gebeuren, en in het Amsterdamse Concertgebouw was het gisteravond niet anders. Schumanns liedcyclus Frauenliebe und – leben probeerde ze weliswaar klein en zacht te beginnen, maar het resultaat was, vanaf het balkon, een onverstaanbaar oma-stemmetje. Subtiel bedoelde microzwellingen pakten in de ruime akoestiek wat larmoyant uit. Pas in het dramatische slotlied trof Fleming doel met een krachtige laagte.

In de vervoerende liederen van Rachmaninov kon ze haar stem eindelijk laten vieren. Ook pianist Hartmut Höll, in Schumann soms incoherent, wist hier meer sfeer te creëren. Le temps l’horloge schreef Henri Dutilleux speciaal voor de Amerikaanse sopraan. De cyclus heeft de sensualiteit van Debussy maar is nog grilliger en harmonisch meer verzadigd. Fleming zong met veel inleving over het verstrijken van de tijd, maar had soms moeite met topnoten en registerwisselingen. Enkele verrukte Straussliederen ten spijt overtuigden toch vooral de toegiften: de superieure extase zoals in Puccini’s O mio Babbino caro doet hopen dat Fleming nog lang in de opera actief blijft.