Succes door vangst van grote vissen

„Falen was geen optie”, sprak de eerste president van het tribunaal in 2009. Maar het had wel degelijk mis kunnen gaan.

Een week geleden kreeg Radovan Karadzic, leider van de Bosnische Serviërs tijdens de Bosnische burgeroorlog tussen 1992 en 1995, veertig jaar celstraf opgelegd, onder andere wegens de genocide in Srebrenica in 1994. Deze donderdag is het de beurt aan de Servische ultranationalist Vojislav Seselj (61) om het vonnis tegen zich uitgesproken te krijgen door de rechters van het Joegoslavië-tribunaal.

Seselj wordt verdacht van het aanzetten tot oorlogsmisdaden, van de organisatie van moorddadige paramilities en van betrokkenheid bij etnische zuiveringen in Servië, Kroatië en Bosnië. De radicaal-nationalistische ideoloog van ‘Groot-Servië’ zal niet in de rechtszaal zijn. In november 2014 mocht hij van het tribunaal met ziekteverlof. Hij vertrok naar Belgrado en weigert naar Den Haag terug te keren.

Succesvol

Met het vonnis in de zaak tegen Karadzic profileert het in 1993 opgerichte Joegoslavië-tribunaal zich opnieuw als een succesvolle rechtbank. Na het vonnis tegen Seselj deze donderdag wachten van de in totaal 161 aangeklaagden, afgezien van zaken in hoger beroep, nu nog twee verdachten op een uitspraak: de Servische Kroaat Goran Hadzic en opperbevelhebber Ratko Mladic, die de leiding had tijdens de val van de moslimenclave Srebrenica.

De afgelopen twee decennia heeft het Joegoslavië-tribunaal het landschap van het internationale recht „onomkeerbaar” ten goede veranderd, schrijft de rechtbank zelf op zijn website.

Ook anderen oordelen positief over de prestaties van het tribunaal, de eerste internationale rechtbank sinds de oorlogstribunalen in Neurenberg en Tokio die na de Tweede Wereldoorlog werden ingesteld door de geallieerde mogendheden. „In alle opzichten heeft het Joegoslavië-tribunaal efficiënt gefunctioneerd en veel voor elkaar gekregen. De processen zijn eerlijk gevoerd, de uitspraken zijn evenwichtig en kwalitatief goed”, oordeelt bijvoorbeeld de Amsterdamse hoogleraar internationaal strafrecht Göran Sluiter.

Geen enkel ander internationaal tribunaal heeft tot dusver beter gepresteerd, inclusief het in 2002 operationeel geworden Internationaal Strafhof in Den Haag, zegt Sluiter.

De cijfers geven hem gelijk. Na drie jaar velde het Joegoslavië-tribunaal zijn eerste vonnis. Het Internationaal Strafhof, een permanente rechtbank met mondiale aspiraties, deed daar tien jaar over, en heeft tot dusver nog maar drie verdachten veroordeeld (en er één vrijgesproken). „Elke zaak bij het Strafhof mondt uit in een slepend proces. Misschien had het Strafhof er beter aan gedaan de ervaringen van het Joegoslavië-tribunaal over te nemen in plaats van alles zelf beter te willen doen”, zegt Sluiter.

Het gunstige oordeel is opmerkelijk, want zo hooggestemd waren de verwachtingen niet toen de VN-Veiligheidsraad in februari 1993 pleitte voor de oprichting van het tribunaal. Het oorlogsgeweld op de Balkan was nog lang niet geluwd. Toch hadden toenmalig secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali en zijn juridische team binnen drie maanden een blauwdruk klaar. De concrete invulling werd overgelaten aan de rechters.

Pragmatisch

„Falen was geen optie”, zei de eerste president van het tribunaal, de Italiaanse rechter Antonio Cassese, in 2009 in een interview met de journalisten Heikelien Verrijn Stuart en Marlise Simons. De in 2011 overleden Cassese wordt algemeen geroemd als de innovatieve, pragmatisch opererende jurist die, met sterke inbreng van de American Bar Association, het Joegoslavië-tribunaal zijn fundament gaf. Bij de Zuid-Afrikaanse hoofdaanklager Richard J. Goldstone drong hij aan op haast. „Ik vroeg hem hoeveel mensen volgens hem misdaden hadden begaan in het vroegere Joegoslavië. Hij antwoordde: ‘Ongeveer 200.000.’ En ik zei: ‘Goed, maar we kunnen geen 200.000 mensen vervolgen. Misschien maar honderd’”, zei hij in het interview.

Mede onder druk van de Veiligheidsraad kwam er zo een einde aan de ‘piramidestrategie’ van Goldstone om eerst de kleine vissen in het voormalige Joegoslavië te vangen. Toch kwamen de allerhoogste verantwoordelijken pas onder handbereik van het tribunaal door de politieke veranderingen vanaf het midden van de jaren negentig.

In juli 1995 werden onder anderen Karadzic en Mladic aangeklaagd. Vier maanden later kwam met het Daytonakkoord een einde aan de Bosnische oorlog. Onder zware Amerikaanse druk werd in 2001 de voormalige Joegoslavische president Slobodan Milosevic gearresteerd in Belgrado en uitgeleverd aan het tribunaal (hij overleed in 2006 voor het einde van zijn proces). Karadzic (in 2008) en Mladic (in 2011) kwamen pas naar Den Haag nadat onderhandelingen met de Europese Unie over toenadering in het vooruitzicht waren gesteld.

De meeste verdachten die zijn aangeklaagd door het tribunaal, 94 van de 161, zijn Serviërs. Erg populair is het Joegoslavië-tribunaal dan ook niet in Servië. Maar dat is het in Bosnië en Kroatië evenmin. Hoogleraar Sluiter is niet onder de indruk. Een tribunaal is er niet om zich populair te maken, maar om goede rechtspleging te verrichten, vindt hij. „Misschien doe je wel iets goeds als alle partijen klagen en vinden dat je te veel aandacht besteedt aan hun oorlogshelden.”