‘Soul heeft geen huidskleur’

Charles Bradley Het succes kwam pas laat voor Charles Bradley. Ooit was hij dakloos, nu is hij gloedvol soulzanger.

Charles Bradley Foto Andreas Terlaak

Naar omstandigheden gaat het goed, zegt Charles Bradley. Alle strijd en alle pijn die hij moest doorstaan hebben hem sterker gemaakt. Dat is niet vanzelf gegaan. Het hartzeer in zijn muziek is echt en zijn soul dankt hij aan de diepe overtuiging dat alleen liefde de mensheid vooruit kan helpen. Dat is de boodschap van zijn nieuwe album Changes, een muzikale mijlpaal van een zanger die de littekens draagt van een zwaar leven.

Bradley (67) begint elke ontmoeting met een warme omhelzing. Hij is dankbaar voor het succes dat hem op latere leeftijd ten deel valt. Als jochie van veertien zag hij James Brown optreden in het Apollotheater in New York. Sindsdien wilde Bradley maar één ding: zelf ook soulzanger worden. Na twaalf ambachten en dertien ongelukken maakte hij er pas in 1996 zijn beroep van. Als de James Brown-imitator Black Velvet verwierf hij lokale bekendheid in Brooklyn, de wijk waar hij opgroeide en waar hij na veel omzwervingen door de VS en Canada terugkeerde. Eigen materiaal had hij nog niet, toen platenbaas Gabriel Roth (‘Bosco Man’) van het Daptone label hem uitnodigde voor een auditie. In de oefenruimte bij de Menahan Street Band viel alles op zijn plek. Bradley improviseerde een tekst en een nieuwe soulster in de doorleefde stijl van Otis Redding en Percy Sledge was geboren.

Voordat hij zijn succesverhaal toelicht, wil Charles Bradley eerst zijn hart luchten over de persoonlijke beslommeringen die hem op dit moment in beslag nemen. In januari 2014 overleed zijn moeder, nadat hij twaalf jaar lang voor haar gezorgd had. „Al die tijd betaalde ik de aflossing van haar hypotheek. Nu duiken er opeens erfgenamen op die geld willen zien en die het huis willen verkopen waarin ik woon. Ze willen dat ik weer dakloos word, net als in de tijd dat ik in een onverwarmde ruimte met zand op de grond moest slapen. Neem me niet kwalijk dat ik er vol van ben, maar ik kom nog maar net uit allerlei ingewikkelde besprekingen met advocaten. Nu ik weer op tournee ga, hangt de dreiging boven mijn hoofd dat ik geen thuisbasis meer heb om op terug te vallen.”

Imitator met pruik

Het zit hem niet mee in het leven. ‘A brother from the hard licks of life’, noemt Charles Bradley zichzelf in het inleidende parlando van zijn derde album, voordat hij een zeldzaam soulvol God Bless America zingt. De in het IDFA getoonde documentaire Soul of America (Poull Brien, 2012) legde vast hoe hij van een imitator met een pruik en de danspassen van James Brown transformeerde tot een oorspronkelijk soulzanger. Zijn albums No Time For Dreaming en Victim Of Love blonken uit door hun authenticiteit en de soul die ervanaf spat.

Al zijn pijn, al zijn vreugde, al zijn zorgen zitten in de muziek. „Toen ik James Brown imiteerde kon ik er een grap van maken. Ik dolde een beetje met zijn teksten en ik vermaakte het publiek met een split of een razendsnelle dansmove. Mijn producer heeft me afgeleerd om die typische James Brown-gilletjes tussen mijn tekstregels te zingen. Nu ben ik niemand anders dan Charles Bradley en kan ik me nergens achter verschuilen. Mijn teksten komen zo diep uit mijn ziel dat het soms pijn doet om ze te zingen.”

Afscheid van een dierbare

Het titelnummer van zijn derde album is een verrassende cover van de ballad Changes, oorspronkelijk van hardrockgroep Black Sabbath. Zanger Ozzy Osbourne kende hij alleen uit de realitysoap The Osbournes. Het lied werd hem aangereikt door producer Tom Brenneck en kwam op precies het juiste moment. „Mijn moeder lag op sterven en ik had moeite om de tekst in te studeren. Totdat ik me realiseerde dat het over mijn situatie ging. Changes gaat over afscheid van een dierbare, en hoe je de jaren terug zou willen draaien om alles wat er verkeerd is gegaan nog eens over te doen. Het kan me niet schelen dat Black Sabbath in sommige kringen een duivelse reputatie heeft. Dit is zonder meer een soulsong.”

Zijn liveband The Extraordinaires en de Menahan Street Band die hem in de studio begeleidt, bestaan grotendeels uit jonge, blanke muzikanten. „Soul heeft geen huidskleur”, zegt Bradley onverwacht streng. „Ik kan me nog goed herinneren dat ik Aretha Franklin voor het eerst op tv zag, nadat ik jarenlang had gedacht dat soulmuziek voorbehouden was aan zwarte muzikanten. Al die cats in haar band waren blank! Inmiddels heb ik zelf ondervonden dat het niet om kleur gaat, maar om toewijding. Als ik voor een publiek sta, wil ik een band achter me hebben die de rauwheid in mij losmaakt, de spirit naar buiten brengt. De band geeft me mijn dynamiek, mijn frasering, mijn adempauzes. De gitaar en de bas zijn intens vervlochten met mijn teksten. Die jongens spelen met zoveel soul omdat ze zich verdiept hebben in de pijn en de ontbering die erachter zitten.”

Er verschijnt een wrange glimlach om zijn lippen als de woorden soul survivor vallen. „Ik snap het als de mensen dat zeggen, want met mijn levensloop had ik eigenlijk al dood moeten zijn. Ik heb op straat geleefd en ik had makkelijk ten prooi kunnen vallen aan een leven van drugs en misdaad. Ik heb aanvaringen gehad met Hells Angels en met de Ku Klux Klan. Ik ben door de politie in elkaar geslagen. Nu ik dat allemaal kan navertellen is er bijna geen mens meer op de wereld die me boos kan maken. Wat er ook met me gebeurt; ik heb het allemaal al eens eerder meegemaakt.”

Met spijt stelt Charles Bradley vast dat het hem ontbreekt aan een grote liefde in zijn leven. „Mijn muziek brengt liefde en verdraagzaamheid onder de mensen, maar zelf ben ik bang voor intimiteit. Ik ben te vaak in de steek gelaten om me aan één iemand te kunnen binden. Mijn hart is groot en ik deel het met iedereen.”