‘Mensen aan de onderkant verliezen hun zekerheid’

Onderzoek Gepensioneerden kregen het sinds 1980 steeds beter, mensen met een uitkering juist niet. „Hun ongenoegen zit heel diep.”

Medewerkers van de voedselbank delen voedselpakketten uit in de Morgensterkerk in Den Haag. Foto ANP / Valerie Kuypers

Als je sociaal gezien hoort bij de ‘achterblijvers’ in Nederland en je bent ontevreden, bang of boos, kunnen anderen over jou zeggen dat dat komt omdat je mondiger bent geworden. Of omdat je in deze tijd zo makkelijk kunt klagen en anoniem schelden op sociale media. Maar er is nog iets, ontdekte de net aangetreden hoogleraar Cok Vrooman uit Utrecht: je hebt ook reden om te klagen.

Uit kwantitatieve analyses van Vrooman blijkt dat mensen die afhankelijk zijn van losse contracten, de WW of bijstand, het vanaf 1980 alleen maar moeilijker hebben gekregen. Bijna alle regelingen uit de sociale zekerheid zijn sinds die tijd, en vooral sinds begin jaren negentig, fors verslechterd. Vrooman noemt al die regelingen bij elkaar de ‘inkomenszekerheid’ en laat zien dat die bij de beroepsbevolking in 35 jaar met ruim een derde is afgenomen.

Alleen als de drie miljoen gepensioneerden en al hún regelingen meetellen in de analyses, valt het mee: dan is de afname in inkomenszekerheid 10 procent. De meeste ouderen in Nederland hebben het sinds 1980 alleen maar beter gekregen.

Vrooman presenteerde de uitkomsten woensdagmiddag op de Universiteit Utrecht in zijn inaugurele rede Meedoen in Onzekerheid – voor de leerstoel Sociale Zekerheid en Participatie van het Instituut Gak, een fonds dat onderzoek naar arbeidsmarktbeleid subsidieert. Vrooman is ook onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en leidde in 2014 de studie Verschil in Nederland. Die liet zien hoe het land uit elkaar groeit: aan de ene kant zijn er de kansrijke jongeren, mensen met goed werk en ‘comfortabel gepensioneerden’, aan de andere kant de mensen met onzeker werk of een uitkering.

Autochtonen zijn gewend aan de verzorgingsstaat

Cok Vrooman Onderzoeker

De ‘sociale achterblijvers’ hebben weinig mogelijkheden om het beter te krijgen en de groeiende onvrede in Nederland vind je vooral in díe groep: over de economische verschillen, de elite, Europa. En ook over de normen, waarden en de religie van migranten.

De meeste ouderen hebben het beter sinds 1980

Vroomans boodschap aan politici is niet: doe er geld bij voor de uitkeringen. „Het gevoel van maatschappelijk ongenoegen zit zo diep”, zegt hij. „Een simpele oplossing is er niet.”

Uit eigen SCP-onderzoek weet Vrooman dat de politieke en bestuurlijke elite „een blinde vlek” heeft voor lagere sociale groepen. „Het is lastig om te beseffen hoe het aan de onderkant werkt als je het zelf goed hebt.”

Maar als ze het willen horen, zou hij tegen politici zeggen:

„Als je denkt: ‘ik kan niets aan de AOW veranderen, want dan lopen de kiezers weg’, bedenk dan wel welke spanningen dat creëert bij niet-gepensioneerden. Het is kortetermijnbeleid. In de 35 jaar die ik heb onderzocht, zag ik juist een langzame opbouw van heel verschillende groepen in Nederland.”

Het effect van dalende inkomenszekerheid zou minder hard zijn aangekomen, denkt Vrooman, als er meer wettelijke bescherming voor mensen met werk tegenover had gestaan. Maar dat is niet zo. Uit Vroomans analyses van de regelingen voor mensen in loondienst blijkt dat hun ‘werkzekerheid’ met bijna 10 procent is afgenomen. Als je tijdelijk werk en de groei van het aantal zzp’ers meetelt, is de daling zelfs 27 procent.

Allochtonen klagen níet

En dan is er iets dat opvalt in het onderzoek van Vrooman. Mensen met vast werk klagen weinig over de elite, Europa, de globalisering – en mensen met onzeker werk juist veel. Maar dan vooral de autochtonen. Ook bij autochtone Nederlanders met WW of bijstand is die onvrede veel sterker dan bij allochtonen met zo’n uitkering.

Allochtonen maken zich wel veel zorgen over discriminatie. Maar dat is nog geen reden om de andere zorgen van jouw sociale groep niet óók te hebben. Een duidelijke verklaring heeft Vrooman niet. „Je zou kunnen denken dat het te maken heeft met verwachtingen: autochtonen zijn gewend aan de verzorgingsstaat. Maar dat geldt ook voor de tweede en derde generatie migranten.”

In Utrecht zal Vrooman ook onderzoek gaan leiden naar gescheiden leefwerelden, zoals misschien die van allochtonen, in de groep van ‘sociale achterblijvers’ – en wat dat betekent voor hun kansen. Uit zijn onderzoek blijkt dat mensen met WW of bijstand vaak in een gesloten groep leven. „Als je groep kansrijk is, is dat niet erg”, zegt hij. „Maar als dat niet zo is, heb je misschien geen mensen die je een zetje kunnen geven op de arbeidsmarkt. Hoe functioneren die netwerken: is er informatietekort en welke hulpbronnen zijn er? Of houdt men elkaar cultureel gevangen in het netwerk? Dat gaan we uitzoeken.”