Mantelzorgen

Nadat ik in deze krant het belangwekkende artikel van Malou van Hintum over de mantelzorg voor haar vader had gelezen, mailde ik mijn twee dochters om ze de volgende cruciale alinea voor te houden.

fritsabrahams0

„Het is ook een taak voor de familie om de lange haren uit zijn hals te scheren (…), zijn neus en oren schoon te houden, zijn kunstgebit te poetsen, de wc te reinigen als je er bent (en eigenlijk ook de badkamer en de koelkast; daar lijkt de schoonmaakster nooit tijd voor te hebben), het glas en papier mee te nemen, en strikt genomen moet mijn vader die geen meter kan lopen zelf zijn afval wegbrengen, maar gelukkig wordt er voor hem ‘een uitzondering’ gemaakt.”

„Waar gaat dit over, is het soms een 1 aprilgrap?”, schreven ze terug. „Nee, die mag ik niet maken van de hoofdredactie, zelfs niet op de Achterpagina”, reageerde ik, „terwijl ik net zo’n leuke had, namelijk dit nieuwtje: Van der Steur krijgt nieuw ministerie: van Waarheid.”

„We hebben weleens harder gelachen”, schreven mijn dochters, „maar nu ter zake.” Ik legde ze uit waar het artikel van Malou van Hintum over ging: zij, zelf ziek en woonachtig op anderhalf uur rijden van haar bejaarde vader, wordt geacht als mantelzorger van de familie alle bovengenoemde taken en nog vele andere op zich te nemen. Dit volgens het nieuwe credo van de Nederlandse verzorgingsstaat, te pas en te onpas uitgesproken door professionele verzorgers: „Dit is een taak voor de familie”.

„Maak je nou niet druk”, mailden mijn dochters, „wij doen net als die Malou ons uiterste best als het zover is.”

„Maar dat wil ik juist niet”, schreef ik terug, „ik wil niet dat jullie op den duur zó gestresst raken van alle taken dat je stiekem blij bent als ik eindelijk die verdomde pijp uitga.”

„Dat zijn we toch wel”, kraaiden ze meteen.

„Ik heb weleens harder gelachen”, wilde ik schrijven, maar ik hield me in – je kunt ze nog érg nodig hebben, die kinderen, erger dan je ooit had gedacht. Vroeger kon je als ouders nog weleens scherp uitvallen als iets je niet aanstond, maar tegenwoordig moet je in het interfamiliale verkeer op je woorden letten; de sancties kunnen op hoge leeftijd hard aankomen.

Mijn oudste dochter krijgt altijd idyllische visioenen als de stokoude dag van haar ouders ter sprake komt. Ze ziet ons permanent gelukzalig bivakkeren in een van alle gemakken voorziene garage in haar achtertuin, of desnoods in een verbouwd schuurtje tussen afgedankte wasmachine en roestende grasmaaier. Elke morgen krijgt pa zijn verse krant, als die dan nog bestaat (ik bedoel die krant), terwijl ma de boodschappenlijst voor Albert Heijn mag samenstellen. Binnen snort vrolijk het kacheltje, buiten loeit de wind.

Als ik meega in zulke rooskleurige fantasieën, hoor ik mezelf tegen mijn vrouw zeggen: „Toch geweldig dat die staatssecretaris van jullie, van de PvdA dus, die…hoe heette hij ook weer…Martin….”

„Van Rijn.”

„Dat die destijds zo ongeveer alle verzorgingshuizen in een paar jaar tijd met de grond gelijk maakte zodat wij hier nu prinsheerlijk van onze oude dag kunnen genieten, terwijl onze dochters zich uit de naad mantelzorgen.”

„Onze grootouders trokken van Drees en wij van Van Rijn”, zal ze innig tevreden beamen.