Liever het CPB dan een feitenvrije verkiezingsstrijd

Een economische groei van 1,8 procent per jaar, een dalende werkloosheid en een koopkrachtstijging die uitblijft. En, bij ongewijzigd beleid, een slinkend begrotingstekort dat uiteindelijk omslaat in een overschot van 0,6 procent. Dat zijn de voornaamste uitkomsten van de ramingen van het Centraal Planbureau voor de periode 2018-2021. Het CPB doet deze raming voor de middellange termijn (MLT) traditioneel een jaar voor de volgende parlementsverkiezingen. Het geeft politieke partijen een houvast voor de economische ontwikkelingen die zij, bij ongewijzigd beleid, tegemoet kunnen zien. Dat is een houvast bij de verkiezingsprogramma’s die in de loop van dit jaar worden geschreven en in het late najaar klaar zullen zijn.

De prognoses zijn niet zaligmakend. De onzekerheden zijn veel te groot om zo lang vooruit te kunnen voorspellen. Ditmaal liggen die onzekerheden niet zozeer in de Nederlandse economie zelf: die pruttelt gestaag en weinig spectaculair door. De cijfers zorgen er daarentegen wél ook voor dat de partijen gemeenschappelijke uitgangspunten hebben voor hun onderlinge debat.

In het verlengde daarvan is het sinds 1986 gewoonte dat partijen hun programma’s laten doorrekenen door het CPB. Dat gebruik staat nu op de helling. Er is groeiende kritiek op de accuratesse, de uitgangspunten en de flexibiliteit van de rekenmodellen waarmee het CPB werkt. Dat noopt veel partijen ertoe wellicht ditmaal, voor de eerste maal in dertig jaar, van een doorrekening af te zien.

De kritiek is in sommige gevallen terecht. Effecten op koopkracht en werkgelegenheid blijken lastiger in getallen samen te vatten dan gedacht. En immateriële zaken als welzijn, of het effect van onderwijsuitgaven, laten zich nog lastiger kwantificeren.

Toch wegen deze nadelen niet op tegen de voordelen die een doorrekening biedt. In een tijd waar ‘feitenvrijheid’ geen uitzondering meer is in het debat en ook steeds minder als genant wordt ervaren, is juist een objectieve meetlat van groot belang. Terwijl in Nederland de twijfel over de CPB-methode groeit, is het buitenland juist afgunstig op deze manier van werken. Hij voorkomt al te grote, loze beloften, tegenstrijdigheden en een gebrek aan samenhang in het menu dat partijen hun kiezers voorschotelen.

Het is begrijpelijk dat het geloof in de economische wetenschap door de crisis een deuk heeft opgenomen, óók bij politici. Maar het begint er nu op te lijken dat dit wordt aangegrepen om voortaan maar van alles te mogen beweren tegen een publiek dat zelf onmogelijk in staat is dit te staven. Een scheidsrechter is beter, ook al ziet hij af en toe een overtreding over het hoofd.