‘Knet-ter-gek, dat ik zover ga voor mijn verhalen’

Geert Jan Lassche (39) onderzoekt in zijn documentaires hoe ver mensen gaan voor hun doel. En waarom ze dat doen. Daardoor gaat hij zelf ook over zijn grenzen heen.

Het is begin 2016. Documentairemaker Geertjan Lassche (39) is met een helikopter op een hoge bergrug afgezet en beklimt voor zijn nieuwste filmproject de top van de ‘Walker’, een berg in de Franse Alpen van ruim vierduizend meter. De dag ervoor was hij al gaan ijsklimmen: stijgijzers om, en dan tik, tik, tik, tegen een bevroren waterval omhoog. Práchtig shot gedraaid. Maar ook: natte schoenen. In diezelfde schoenen ploetert hij nu dus – half zeven ’s ochtends, min 25 – met een Italiaanse berggids omhoog. „Al na het eerste kwartier had ik het in de gaten: bevroren poten.” Maar Lassche moet en zal zijn scène draaien. Als hij daarna afdaalt, ontdooien de tenen. „Ik heb geschreeuwd van de pijn”, zegt hij. „Ben je dan gek?”

Nou?

„Eh… Ja, dan ben je gek. Ik ben knet-ter-gek dat ik zo ver ga voor mijn verhalen. En is dat het waard, qua kijkcijfers? Dat betwijfel ik. Maar kwalitatief – als je mensen ráákt – dan vind ik van wel. En ik heb ook wel even aan Wilco gedacht (de bergbeklimmer verloor zijn tenen tijdens een expeditie). Zijn voeten waren véél langer bevroren.”

‘Bevroren poten. Ik heb geschreeuwd van de pijn’

Geertjan Lassche – geboren in Staphorst, woont in kerkdorp Rouveen, Overijssel – begon vijftien jaar geleden als onderzoeksjournalist bij Netwerk, maar maakte naam met zijn documentaires voor de EO over mensen in extreme situaties, onder extreme druk. Hij maakte Hemelbestormers, over een expeditie naar de top van de Cho Oyu, een achtduizender in de Himalaya. En De uitverkorenen, waarin hij jonge rekruten volgt tijdens hun training voor het Korps Mariniers.

Afgelopen maandag zond de VPRO De mooiste marathon uit, een portret van Michel Butter die zich probeert de kwalificeren voor de Olympische Spelen. Een typische Lassche zou je kunnen zeggen. Een gelaagd psychologisch portret over de vraag: hoe meedogenloos moet een topsporter zijn?

Er is alleen iets geks aan de hand, zegt Geertjan Lassche een dag na de uitzending. Terwijl de waardering voor zijn werk stijgt (uitverkochte zalen op het IDFA, de ene prijs na de andere), dalen de kijkcijfers. Haalde hij voorheen met een Netwerkspecial over de tsunami van 2004 met gemak één miljoen kijkers, naar Hemelbestormers keek nog niet de helft. Daarom gooit Lassche het over een andere boeg. Vanavond is deel één te zien van het vijfdelige Break Free, een serie voor BNN die laagdrempeliger is – „minder kunst, meer televisie”. De serie waarvoor hij met bevroren tenen naar de top van de Walker klom. In iedere aflevering van 35 minuten staat een jongere centraal die het avontuur opzocht en daarbij om het leven kwam. Lassche gaat met nabestaanden terug naar die plek. Zo is er de aflevering over Martijn Seuren (32), de bergbeklimmer die tijdens een recordpoging uitglijdt. Een aflevering over oceaanzeiler Laurens Higler (26), en één over Danaë Moons (29), een kunstenares die de ‘agressie van de jungle’ wil ervaren en verdrinkt. Lassche: „Ik wil dat mijn broers ook blijven kijken naar wat ik maak.”

Moest u daarvoor concessies doen?

„Ik ben een poëet, ik ben gehecht aan abstractie. Aan gelaagde films, zonder voice-over, die de kijker zo nu en dan op het verkeerde been zetten. Dat soort films wil ik blijven maken. Maar ik wil óók mijn publiek niet kwijtraken. Daarom heb ik die tweede lijn ontwikkeld. Break Free is veel toegankelijker.”

Was het de omroep die zei: Chris Zegers moet er als presentator bij?

„Ja. Ik zie zoiets gewoon als een feit. En we hebben goed samengewerkt. Maar mijn handtekening zit er nog steeds in.”

Vertel.

„Dat je naar het hart van de mensen gaat. Ik probeer de ziel van die mensen te pakken.”

Ik zag ‘Break Free’ vooral als een aanmoediging om op avontuur te gaan.

„Dat is het zeker. De publieke opinie is namelijk vaak: dom! Eigen schuld! Maar je kunt het ook anders bekijken. Hoe vaak doen wij niet iets doms? Ik denk dat wat die jongeren gedaan hebben niet gevaarlijker is dan een avondje stappen in Amsterdam, je oortjes indoen en met je fiets in de tramrails komen. Natuurlijk, bergbeklimmen is gevaarlijk. Maar je bent op zo’n expeditie super gefocust. En voortdurend uit op controle. Ik denk dat die concentratie het gevaar compenseert. En wat is dan voor mij de conclusie na vijf keer Break Free? Shit happens. Dat vindt de familie trouwens ook. Zelfs bij Lisanne (Froon, die in Panama omkwam tijdens een wandeltocht) hoor je: ja, het is verschrikkelijk en ik moet er niet aan denken aan wat die meiden hebben meegemaakt, maar toch ben ik blij dat ze gegaan is.”

En u begrijpt dat?

„Toen ik voor Hemelbestormers langsging bij de weduwe van een verongelukte klimmer, zei ze tegen mij: ‘Mijn man is op zijn eigen feestje verongelukt.’ Ik schrok me helemaal wezenloos. Maar hoe langer ik zelf op die berg zat, hoe meer ik dacht: ze heeft gewoon gelijk. Je kunt het je niet voorstellen, maar die zeven weken daar in dat tentje was ik intens gelukkig.”

Aanvankelijk wil Geertjan Lassche in 2014 een documentaire draaien aan de voet van de K2. Maar tijdens een van de voorgesprekken nodigt expeditieleider Wilco van Rooijen hem uit mee te gaan naar de top van de Cho Oyu. Lassche neemt die uitnodiging aan. Hij volgt een klimcursus in de Franse Alpen. De afspraak is: hij gaat ten hoogste tot kamp 2. En: hij spreekt met zichzelf af dat de bergen slechts decor mogen zijn, wit reliëf. Zijn film zal gaan om de psychologische processen in de groep.

Maar eenmaal in het tentje op het basiskamp begint de top dan toch te trekken – „als de ring in Lord of the Rings”. Zo komt het dat Lassche, tegen de afspraken in, besluit om toch verder mee omhoog te gaan. „Ik ben de enige onervaren klimmer op dat moment. De helft is al afgevallen, alleen de toppers zijn nog over. Ik sta daar voor zo’n ijswand. Dan denk ik: er zit een jaar voorbereiding in. De omroep heeft er fors in geïnvesteerd. Dit is mijn moment. Dus ik zeg tegen de sherpa: klik me maar vast aan dat touw. Ik ga.” Het levert Lassche uiteindelijk zijn sleutelscène op, de scene waarin de expeditie ploft. Kamp drie is door een lawine weggevaagd, de expeditie, besluiten de klimmers, stopt. „Die scène, dat is de film in vijftien seconden.”

Gelooft u dat inzet beloond wordt?

„Ik krijg niks voor niks. Ik moet iedere millimeter verdienen. Dat is niet zielig. Dat is mijn lot. Daarom ben ik zo gehard. Ik ben verdorie zes keer genomineerd geweest voor een Tegel!”

Wordt een film beter als je lijdt?

„Ik ben wel van het lijden ja.”

Niet van de verlossing.

„Ik vier mijn eigen resultaten niet. Ik vind altijd dat het beter kan.”

Verlossing zit ook niet in uw films. Uw personages halen nooit de top.

„Omdat het mij om het proces gaat. Ik vind mensen die strijden interessant. Onder druk zie je pas hoe iemand werkelijk is. Als alle schillen van vormelijkheid van ze afvallen.”

Ooit overwogen een echt hoge berg te beklimmen?

„Toen ik van die berg kwam, was ik zo gek als een paard. Ik wilde naar de Mount Everest. Maar ik heb met mezelf afgesproken: ik moet nu niet ineens de ambitie hebben om ook bergbeklimmer te worden, of zeezeiler of marathonloper. Mijn lot is dat van filmmaker. Ik ben op aarde gezet om verhalen te vertellen.”