Imre Kertész (1929-2016) schreef vooral over zijn ervaringen in nazikampen

Necrologie Imre Kertész, 1929-2016

Schrijver, eerste Hongaarse Nobelprijs literatuur winnaar.

Imre Kertész (1929 - 2016) Foto Sebastian Hänel

Toen Imre Kertész in 2002 als eerste Hongaarse schrijver uit de geschiedenis de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, was hij vooral beroemd vanwege die ene autobiografische debuutroman, Onbepaald door het lot (1975). Hierin beschrijft hij zijn gevangenschap als joods jongetje in het Duitse concentratiekamp Buchenwald als de gelukkigste uit zijn leven. Vandaag is hij op 86-jarige leeftijd overleden.

Onbepaald door het lot is een vervreemdend boek, omdat de hoofdpersoon te midden van alle ellende op een heel andere manier naar zijn lotsbestemming kijkt dan je zou verwachten. In het kamp past hij zich aan en probeert er het beste van te maken, omdat hij beseft dat hij alleen zo kan overleven. Zo zit hij halverwege het boek fysiek uitgeput op een wagen vol lijken. Bij een hooggelegen bocht in de weg ziet hij vervolgens het kamp in de verte liggen. Hij bewondert de ordening en symmetrie, de barakken, het prikkeldraad, de nieuw aangekomen gevangenen. En dan concludeert hij, bijna tegen zijn verstand in: „Ik wilde nog een tijdje doorleven in dit mooie concentratiekamp.”

De in 1929 in Boedapest geboren Kertész werd in 1944 eerst naar Auschwitz gevoerd, en belandde daarna in de kampen Buchenwald en Tröglitz. In 1948, na het voltooien van de middelbare school, ging hij de journalistiek in. Maar toen de communisten in datzelfde jaar de macht veroverden, hield hij dat beroep voor gezien. Hij werkte in 1951 een tijdje in een fabriek, waarna hij een baan vond op een ministerie. Na zijn militaire dienst van 1953-’55 trok hij zich uit de maatschappij terug en werd hij schrijver en vertaler van onder meer Canetti, Freud en Nietzsche.

Ik had geluksmomenten in het concentratiekamp

Lees hier het eerste hoofdstuk uit Kertesz’ Onbepaald door het lot

Onbepaald door het lot werd aanvankelijk niet uitgegeven, omdat het gebrek aan niveau zou hebben. Toen het uiteindelijk in 1975 alsnog werd gepubliceerd, lieten critici en het grote publiek het links liggen. Over dat gebrek aan erkenning zou Kertész in 1988 de roman Het fiasco publiceren. Over zijn ervaringen na de oorlog schreef Kertész een derde roman, Kaddisj voor een niet geboren kind (1990), die gaat over de verwerking van de Holocaust en de onmogelijkheid om nog verder te kunnen leven. Samen met zijn eerdere twee boeken vormde het een autobiografische trilogie.

De uitroeiing van de joden door de nazi’s staat centraal in Kertész’ werk. De Holocaust is voor hem geen toevallige gebeurtenis, maar eerder het resultaat van de ontmenselijking in de moderne tijd, waarin totalitaire ideologieën het individu verwoesten en menselijkheid wordt ontkend. Die overtuiging verklaart Kertész’ gelijkstelling van het nationaal-socialisme aan het communisme.

Zijn kampervaringen zijn wezenlijk voor die conclusie. Want juist daardoor heeft hij, die was opgegroeid in een deprimerend en liefdeloos gezin, voor het eerst beseft wat menselijkheid en de waarde van het leven werkelijk zijn. Tegen het Amerikaanse weekblad Newsweek zei hij over die periode: „Mijn meest wezenlijke geluksmomenten beleefde ik in het concentratiekamp. Je kunt je niet voorstellen wat het betekent om in het kampziekenhuis te mogen liggen, of om 10 minuten pauze te krijgen van onbeschrijflijke arbeid. Om zo dicht bij de dood te staan is ook een soort geluk. Alleen al het overleven is de grootste vrijheid die je kunt meemaken.”

Uit het archief: Interview ‘Ik heb me met dit land nooit willen inlaten’ (1999)

In zijn werk laat Kertész zich keer op keer uit over een begrip als de joodse identiteit. Zelf kwam hij uit een geassimileerd joods middenstandsmilieu en werd hij pas door de nazi’s met zijn joodse achtergrond geconfronteerd. Het deed hem extra beseffen dat hij niets met die identiteit ophad, al stoorde hij zich aan iedere vorm van antisemitisme, dat hij als ‘de moraal van de wanhopigen, van de gefrustreerden, van de zelfhaters en de levenskracht van de mislukkingen’ omschreef. Dat besef maakte hem vrij als mens. In zijn Nobelprijsrede vatte hij dat mooi samen: „Ik stierf eens, waardoor ik kon leven. Misschien is dat mijn echte verhaal.”