De raming die niet kan maar wel moet

Maarten Schinkel (m.schinkel@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Menno Tamminga.

Kun je de economie zes jaar vooruit voorspellen? We leven begin 2016 en het Centraal Planbureau (CPB) publiceerde woensdag een raming tot en met 2021. Da’s lang. Ga zes jaar terug, naar 2010, en we zouden destijds niet gedacht hebben dat nu we nog steeds een kwakkelend herstel zouden hebben, negatieve rentes en een maandelijks opkoopprogramma van staatsleningen ter waarde van 80 miljard. En zes jaar dáár weer voor, in 2004, voorspelde vrijwel niemand dat we zes jaar later in de grootste crisis sinds de jaren dertig verzeild zouden zijn geraakt. En in 1998… nou ja, vul het zelf verder in.

Onzin dus, die middellange­termijnvoorspellingen?

Niet als je ze ziet als een mogelijke gids voor de toekomst. Accuraat kan zo’n gids per definitie niet zijn. Maar het gaat er om achter de belangrijkste karakteristieken te komen die de economie zullen bepalen. Het CPB doet dat naar eer en geweten. En dat is waardevol.

Wat valt op? De sterke afhankelijkheid van het buitenland. De gemiddelde economische groei komt in de periode 2018-2021 uit op 1,8 procent. Omdat slechts 0,8 procentpunt daarvan komt van de binnenlandse bestedingen, is de netto-export (en dus buitenlandse vraag) verantwoordelijk voor de rest. De groei van de voor ons relevante wereldhandel is dus van groot belang, en die wordt geschat op 4,6 procent. Dat is niet zo hoog als we vóór de crisis gewend waren, en dat heeft weer te maken met de groei van de wereldeconomie en het tempo van de globalisering. Door ons enorme overschot op de handelsbalans werkt het opleven of inzakken van de vraag uit het buitenland als een hefboom op onszelf.

Wat er verder uitspringt is dat de koopkracht in deze periode niet stijgt. Hogere lasten en lagere pensioenen versmallen het kleine streepje licht dat er zit tussen de loonstijging van 2 procent en de inflatie van 1,6 procent. De economie blijft bovendien ook na een inhaalslagje in 2021 onder zijn capaciteit draaien: deze zogenoemde output gap wordt ook de eerstvolgende zes jaar niet dicht gelopen. En er ontstaat een begrotingsoverschot van 0,6 procent van het bruto binnenlands product in 2021.

Maar het belangrijkste is misschien wel de asymmetrie in de prognose. Veel economische indicatoren kunnen hoger of lager uitvallen, maar alle ‘buitengewone risico’s’ die het CPB benoemt zijn neerwaarts. Een Brexit, een nieuwe eurocrisis, een Chinese economische crisis of een nieuwe financiële crisis (en de mogelijke samenhang tussen veel van deze voorvallen): alle bedreigen ze de economie. En blijft de olieprijs echt op de 42,5 dollar die het CPB invult?

Die 1,8 procent economische groei die wordt voorspeld voor 2018-2021 moet dus eigenlijk, zo valt te concluderen, vooral worden gezien als een bovengrens.

Nu is het CPB-document vooral een leidraad voor beleid. Een volgend kabinet kan aan de knoppen draaien en de uitkomst veranderen. De vraag is nu: is het verstandig om in zo’n precair klimaat als het huidige het begrotingstekort niet veel verder terug te dringen? Of is het juist prudent om, bij een volgende crisis, de weelde van een overschot te hebben als het er op aankomt? Dat wordt een van de belangrijkste discussiepunten in de aanloop naar de volgende verkiezingen.