‘Dansen met vijand’: flirten en overleven in Auschwitz

Valery van Gorp als de jonge Roosje die als kampgevangene dansles aan de nazileiding moet geven. FOTO ROY BEUSKER

‘Ik pantser me’, zegt Roosje Glaser, de hoofdpersoon in Dansen met de vijand. En dat is – ook in werkelijkheid – gelukt. Ze overleefde Auschwitz, al moest ze er veel voor doen, tot en met danslessen geven aan de nazileiding en naar bed met een SS-officier. Met als gevolg dat haar broer, haar enige overgebleven familielid, na de oorlog niets meer van haar wilde weten. Ze was fout geweest, vond hij.

Paul Glaser, de zoon van die broer, stuitte op het verhaal van zijn tante Roosje en schreef er een boek over. En op basis daarvan maakte het kleine theaterbureau Janke Dekker Producties deze voorstelling. Een bescheiden productie, die niettemin aan zware morele thema's raakt. Want tante Roosje zegt niet eens dat ze met tegenzin met haar vijanden danste en sliep. Het leverde haar, hoe dan ook, een comfortabel bed op. Maar méér dan dat: de aandacht van die Duitsers, hoe fout ze ook waren, gaf haar soms zelfs in Auschwitz het gevoel weer een mens te zijn.

Dansen met de vijand, sereen geschreven en geregisseerd door Erris van Ginkel, is een filmische montage van korte scènes, die beurtelings vertellen hoe het Roosje Glaser destijds verging en hoe haar neef haar decennia later op het spoor kwam.

De drie acteurs spelen de scènetjes, fungeren af en toe ook als verteller en stappen voorts in en uit diverse bijrolletjes. Mike Weerts vertolkt vooral de aanvankelijk onwetende neef, Truus te Selle is de ouder geworden tante die haar wrange pantser slechts langzaam laat vallen, en Valéry van Gorp laat de jonge Roosje zien – flirtend en bluffend. Ook zingt ze, in navolging van de echte Roosje, een paar populaire liedjes uit die tijd: Warum ist es am Rhein so schön, Let’s face the music and dance. Niet alle woorden komen er met even veel glans uit als ze zingt. Maar dat vocale tekort valt goeddeels weg tegenover de ontwapenende charme waarmee ze deze jonge vrouw geloofwaardig maakt. Maurits Fondse speelt er piano (en nog een paar andere instrumenten) bij, waarin de echo van het toenmalige kop-op-amusement kordaat doorklinkt.

Een metersbrede en -hoge stapel schoenen domineert het toneelbeeld en doet tevens dienst als zitobject voor de acteurs. Op het achterdoek worden enkele authentieke foto's en filmbeelden uit het verleden van de hoofdpersoon geprojecteerd, die verbazingwekkender zouden zijn als de projectie niet te klein en te vaag was.

Maar belangrijker is dat dit relaas sober en onsentimenteel wordt verteld, zonder er moralistisch over te doen. „Ik deed wat ik deed en dat ga ik niet goedpraten”, zegt Roosje Glaser tegen haar neef.