Brussel dwingt me in ’t defensief, vermoeiend

Niks tart de macht meer dan een terrorist. Na een aanslag lijkt het even alsof iedereen de controle kwijt is. Machteloosheid wakkert wantrouwen aan, wat weer leidt tot frustratie en angst. Een gevaarlijke cocktail, die nu de praktijk van alledag is. Voor politici is die machteloosheid misschien nog erger. Want of hij er nu iets aan kan doen of niet, een politicus zonder macht toont onvermogen. Als de hoeder van de democratie de boel al niet bij elkaar kan houden, wie dan wel?

Onze manier van leven staat onder vuur, bezwoer een van die hoeders, premier Mark Rutte, afgelopen dinsdag aan de Tweede Kamer – en via de Kamer ook aan u en mij. Dat deed hij tijdens het surrealistische debat over de aanslagen in Brussel. Concreter: over hoe zelfmoordterrorist Ibrahim el-Bakraoui fluitend Schiphol uit kon lopen en hoe het kan dat Nederland, ook na waarschuwingen, niet op zoek ging naar de man die later samen met zijn broertje het bloed deed vloeien in Brussel.

Tijdens het bekijken van het debat rees bij mij vooral de vraag waardoor onze manier van leven onder vuur staat. Ik zag een minister die gaat over onze Veiligheid worstelen met vragen waar hij het antwoord duidelijk niet op wist. Ik zag een Tweede Kamer die zich ook geen raad met de situatie wist. Maar goed, zo’n debat moet ook gevuld worden en dus toverde parlementariërs van ellende maar weer de grijsgedraaide lp over Het Grote Gevaar De Islam tevoorschijn. En daar kwam ook weer de onze-manier-van-leven-leus van Rutte voorbij.

Mijn schietgebedje: laat het alsjeblieft geen moslim zijn

Als onze manier van leven – wat dat moge zijn, is mij nog altijd niet helemaal duidelijk, maar soit – echt onder vuur ligt, dan toont het vooral wat voor laf en makkelijk omver te blazen volk we zijn. Zijn de fundamenten van onze manier van leven dan zo weinig verstevigd dat een paar klaplopers met explosieven over de grens het kunnen omverblazen?

Toen de berichten over een gekaapt vliegtuig van Egypt Air afgelopen disdag binnendruppelden, was de eerste gedachte die ik had: laat het alsjeblieft geen moslim zijn. Een weinig origineel schietgebedje, het is er een die zo’n beetje iedere geloofsgenoot die ik ken doet als de breaking-berichten hun scherm vullen, helaas meestal tevergeefs. Het is een asociale gedachte, want zijn het niet de slachtoffers waar je eerst aan moet denken? Voor de passagiers van dat vliegtuig liep het goed af, de dader bleek een mislukte labiele romanticus met een nepbomgordel die zijn ex-vrouw wilde zien.

Het punt is dat ik me nooit zó islamitisch voel als vlak na een aanslag. Na het schietgebedje komt de realiteit, en daarin heeft de islam de schuld – of ik dat nou gerechtvaardigd vind of niet. Het dwingt in het defensief, een rol die steeds vermoeiender wordt. Het overgrote merendeel van de bijna 1,6 miljard moslims is eerder slachtoffer dan dader van islamitisch terreur. Dat weten we, we staan namelijk om die reden voor de Europese poorten. Desondanks is het in het huidige debat bijna onmogelijk om je als moslim niet schuldig te voelen voor iets waar je de controle niet over hebt.

Natuurlijk weten we allemaal dondersgoed dat iedereen een auto vol kan laden met zelfgemaakte explosieven, om vervolgens naar een zo druk mogelijke plek te rijden zodat de schade bij een ontploffing groots is. Daar heeft – behalve degene die ervan overtuigd is dat dit is wat zijn God wil – niemand controle over. Er kan geen inlichtingendienst tegenop. Gegarandeerde veiligheid is een illusie. Die gedachte is zo beangstigend dat de aandacht wordt verlegd naar iets wat makkelijker behapbaar is: een schuldige.