Beeldenstormer

Tijdens een Amerikaanse verkiezingscampagne vroeg ik een vriend uit Minnesota wat hij zag als de belangrijkste politieke gebeurtenis van het jaar. Het was 2004. John Kerry nam het op tegen George W. Bush. Die had als ‘oorlogspresident’ een kleine voorsprong in de peilingen.

Mijn vriend aarzelde lang. Jaren eerder had ik een piepkleine kamer met hem gedeeld op de campus van een universiteit. Nu had hij twee kinderen en woonde in een buitenwijk van Minneapolis. Ik opperde, te ongeduldig om een goede interviewer te zijn: „De oorlog in Irak misschien?”

„Nee, zeker niet”, antwoordde hij direct. „Oorlogen zijn slechts onze manier om topografie te leren.” Het leek geen grap.

„Maar Irak kenden jullie al”, zei ik: „Dat land viel Amerika in 1991 ook binnen.”

Hij: „Dat is natuurlijk te lang geleden om nog te weten waar het ligt.”

Oké, misschien was het toch een grap. Ik vond het gênant. Toch denk ik daar nu anders over. Ieder bericht uit het Midden-Oosten over vernietiging van Unesco-erfgoed doet pijn. Tegelijk moet ik toegeven dat ik de verwoeste monumenten vaak niet kende voor ik hoorde van hun vernietiging. Neem de gigantische boeddha’s van Bamiyan, in Afghanistan: kende u ze voor de taliban ze opblies, in 2001? Eerlijk?

Palmyra’s tempel van Bel is bekender, natuurlijk, maar IS heeft die roem nog eens vergroot door het antieke godshuis op te blazen. Bovendien heeft Londen besloten een replica van de tempelpoort op Trafalgar Square te zetten. Als symbool. De vijftien meter hoge poort is het enige deel van de tempel dat de verwoestingen heeft overleefd. Deze kopie zal de vorm wellicht even iconisch maken als de Eiffeltoren of de piramides van Cheops.

Ondertussen is het gekrakeel over herbouw losgebarsten. Vooral Italië en het Verenigd Koninkrijk willen zich erover ontfermen, maar ‘bevrijder’ Rusland heeft aangekondigd de oudheden zelf te reconstrueren – om westerse mogendheden tevens te beschuldigen van het eerder in de steek laten van de stad; niet geheel ten onrechte.

En, o ja, het antwoord van mijn Amerikaanse vriend luidde, na lang denken: Nipplegate. Popster Janet Jackson had tijdens een dansje in de rust van de jaarlijkse finale van de American Football-competitie, de Superbowl, een tepel laten zien. „De belangrijkste politiek gebeurtenis?!” Ik kon er slecht bij. Als zijn voormalige roommate wist ik hoe vaak hij een blote borst had gezien en aangeraakt. Ik moest dan doen alsof ik sliep. Dat offer wilde ik wel brengen. Maar niet om tien jaar later te ontdekken dat hij, als ‘reborn cristian’, fundamentalistische trekjes vertoonde. Hij was ‘principieel’ tegen naakt op de publieke tv. Hij pakte nog net geen drilboor om tv’s te lijf te gaan, maar telkens als ik beelden zie van beeldenstormers uit het Midden-Oosten moet ik toch onmiskbaar aan hem denken, vriend in Amerika.