Om asielzoekerscentra is veel te doen, maar hoe is het om er te leven en te werken? Over de wifigang, Zumba en de les Kennis van de Nederlandse Maatschappij: een midweek in azc Musselkanaal.

In de wifigang

Iedere woensdagochtend van tien tot half twaalf moeten alle volwassen bewoners zich melden bij het loket naast de ingang. Een bonte stoet mensen trekt dan langs met krulspelden, keurige gedrapeerde of haastig omgeslagen hoofddoeken, in pyjamabroeken en spijkerbroeken, in ochtendjassen en weelderige rokken. Er is een oververtegenwoordiging van plastic instapslippers. Iedereen draagt ze. Meestal zijn ze blauw met wit, maar er zijn ook bruine voor mannen en roze voor vrouwen. Eritrese mannen dragen ze met blote voeten, ook in de winter.

Na het melden verdwijnen veel bewoners in de wifigang. Het is de gang die de twee grote gebouwen van het asielzoekerscentrum in Musselkanaal met elkaar verbindt. Hier is de wifi het sterkst. Het zit er altijd vol. Kinderen spelen spelletjes op gedateerde smartphones, volwassenen appen, skypen, internetten. Op veel schermpjes beweegt het hoofd van een geliefde of familielid ergens ver weg.

In die wifigang zitten Dhyrgham (25) en Ahmad (27) op de grond met hun rug tegen de verwarming. Dhyrgham uit Irak is opgefokt en bozig. Ahmad uit Syrië is rustig en afwachtend, Dhyrgham spreekt redelijk Engels, Ahmad niet. Dhyrgham voelt zich vergeten, opgeborgen in een uithoek van Nederland. Wat hij wil? Hij vertelt het in korte, staccato zinnen. Plezier maken, meisjes, uitgaan, naar de disco, dansen. Hij ging op een avond naar Stadskanaal. Wat denk je? Niets. Niemand.

Op zijn kamer zet Ahmad thee. De verwarming staat hoog. Twee onopgemaakte bedden – hij deelt de kamer – met daartussen een tafel en twee stoelen. Nog een kast en de kamer is vol. Ahmad kijkt uit over een weiland. Hij laat zijn ruitjesschrift zien vol Nederlandse zinnen. Hij heeft nog geen verblijfsvergunning, dus geen recht op Nederlandse les. Hij leert met behulp van YouTube. Kan zijn gast even deze bladzijde nakijken?

Hij is kleermaker, gespecialiseerd in dameskleding. Na wat andere opvangplekken, woont hij nu een half jaar in Musselkanaal. Het liefst zou hij werken in een naaiatelier, maar hij begrijpt dat de asielprocedure door de vele vluchtelingen lang duurt en hij moet wachten.

Zij die het hoe dan ook willen redden

Asielzoekerscentra zitten niet vol testosteronbommen, extreme of zeer orthodoxe moslims en gelukszoekers die meer luxe willen. Ze zijn niet gevuld met zielige mensen die na traumatiserende oorlogservaringen niet meer in staat zijn te beslissen over hun eigen leven. Wie zitten er wel? En hoe ziet het leven in een azc eruit? Locatiemanager René de Kiewit van het azc in Musselkanaal (Groningen) opende een midweek lang zijn deuren.

De werkelijkheid is prozaïscher én gekker, zo blijkt. Het meest opvallende aan de groep bewoners, bijeengebracht door het lot, is dat je ze grofweg kunt indelen in twee groepen: zij die verpieteren en zij die het hoe dan ook willen redden.

René de Kiewit ziet dat ook, vertelt hij in zijn kantoor: „De een omarmt het nieuwe land, de ander verdrinkt in heimwee.” In de 23 jaar dat hij bij het COA werkt, dat verantwoordelijk is voor de opvang van asielzoekers, leerde hij een derde groep kennen: zij die moeite hebben maar het toch redden. Hij ziet het als zijn taak die groep zo groot mogelijk te maken. En het COA wil dat ook, zegt hij, al gaat het hem lang niet ver genoeg. Hij zag de organisatie veranderen van „hospitaliserend naar activerend”. Werd asielzoekers twintig jaar geleden nog alles uit handen genomen, ze waren immers ontheemd en getraumatiseerd, tegenwoordig moeten ze een aantal dingen zelf doen: boodschappen, koken, reizen.

Het is een eigen wereld, zo’n azc. Vaak ligt hij aan de rand van gemeenten, of ver daarbuiten. In het lintdorp Musselkanaal (6.700 inwoners) woont in het azc een grote groep mensen (maximaal 530) uit verschillende verre landen. Het is een kruising tussen een bejaardentehuis (dat was het ooit), een jeugdherberg en een begeleid wonen project. Maar dan vol buitenlanders – nu vooral uit Syrië en Eritrea. En met een doordringende geur van gebakken vlees, kruiden en baksels in alle gangen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Eigenlijk valt het leven in een azc met niets anders te vergelijken.

Alleen al binnen gezinnen zie je grote verschillen in levenslust. Lama Abd Molah (21) gaat het redden. Ze is anderhalve maand in Musselkanaal. Ze bruist van levenslust. Haar Engels is zeer goed – ze volgde samen met haar moeder een intensieve cursus in Syrië. De COA-medewerkers vragen haar om te tolken. Dat doet ze graag. Ze praat ook met de Eritreeërs. Met handen en voeten.

Ze zit, druk pratend, op de bruine, vilten deken van haar bed. Elke asielzoeker krijgt twee van die dekens. Plus vier lakens, twee slopen en twee handdoeken. En één theedoek. Die gebruiken ze toch maar als dweil. Alleen Nederlanders kennen de theedoek als ding waarmee je de vaat afdroogt.

De vriendschap zal niet lang duren

Lama’s moeder, Linda en haar man Mahmoud (50) zullen – over een nog onbekende periode – met hun vier kinderen in Amersfoort gaan wonen. Asielzoekers met een verblijfsstatus worden willekeurig over Nederland verdeeld. Ze moeten in een azc wachten tot ‘hun’ nieuwe stad of dorp een huis beschikbaar heeft. Dat kan maanden duren.

De jongste dochter van Linda en Mahmoud heet Tala. Tala is een mollige kleuter van vijf die in een roze feestjurk met glitterhart door de gangen van het azc banjert. In haar kielzog haar beste vriendin: de tengere vijfjarige Lulia uit Eritrea. De vriendschap zal niet lang duren. De ouders van Lulia zijn al langer in Nederland en hebben een huis in Cuijk toegewezen gekregen.

Tala is krap een half jaar in Nederland en voelt zich volkomen op haar plek. Zonder haperen zingt ze voor het eten: „Smakelijk eten, smakelijk eten, hap, hap, hap. Slok, slok, slok.” Haar ouders verstaan er geen woord van, maar kijken vertederd toe.

Elke morgen tilt Mahmoud Abd Al Molah zijn vijfjarige dochter achterop zijn damesfiets. Hij stapt voorzichtig op en slingert over het fietspad langs het kanaal naar de basisschool. De fiets kocht hij tweedehands voor 100 euro. Hij dong 50 euro af. Hij reed verschillende keren de heg in, maar blijft nu rechtop. Hij had nog nooit gefietst, in Damascus fietst niemand. Waarom zou je ook, hij deed alles met zijn auto. Zijn vrouw had er ook een. De derde auto was voor zijn twee oudste kinderen, Lama (21) en Anas (19). En als er geen auto was, nam je een taxi.

Mahmoud is in de weer met een pakje halfzware drum. Sigaretten zijn hier zo duur dat hij overgestapt is op shag. Het leven in Nederland vindt hij net zo moeilijk als het draaien van een shaggie. In Syrië was hij ondernemer, hij verkocht bakkerijproducten. Hij werkte hard en veel. Hij vond het niet erg, hij kon goed voor zijn vrouw en kinderen zorgen. Ze hadden een mooi, groot huis in het centrum van Damascus. Met een marmeren vloer.

Zijn zoons Anas en Ahmed (16) hebben dezelfde rusteloosheid als hun vader. Anas loopt als een gekooide tijger heen en weer. Het gezin woont met z’n zessen op de twee kamers. Vroeger woonde er één bejaarde. Als Mahmoed naar de wc wil, moet zijn vrouw het keukentje uit.

In Nederland zetten we regelmatig de telefoon uit. Dat is beleefd

Maarten van der Ploeg, docent Kennis van Nederland

Anas appt met zijn vrienden met wie hij altijd naar de shoppingmall ging vlakbij huis. Alles kan je daar kopen, vertelt hij. Heel wat anders dan het winkelcentrum van Musselkanaal. En je kan er lekker eten in de restaurantjes of buiten zitten op een terras. Hij laat foto’s zien van zichzelf. Een lichtgespierde mooiboy in strak shirt, zonnebril met spiegelglazen, nonchalant leunend tegen een muurtje. Dat was Syrië.

Mannen zoals Mahmoud rouwen, zegt De Kiewit. Ze zijn hun zelfstandigheid en daarmee hun waardigheid kwijt. Het helpt als ze bezig zijn, zelfs met eenvoudige klusjes, zegt De Kiewit. Hij heeft het azc erop ingericht. Bewoners kunnen tegen een kleine vergoeding het gebouw of terrein schoonhouden of werken in de linnenkamer. Dat kan in elk azc, maar in Musselkanaal is er ook een fietsenwerkplaats en een technische dienst. Bewoners, ook als ze niet zeker weten of ze mogen blijven, kunnen een korte schoonmaakopleiding volgen. Het azc won daarmee een prijs.

Niettemin is wachten de belangrijkste activiteit in azc Musselkanaal. Iedereen doet het. Wachten op een volgende stap in de procedure. Wachten op gezinshereniging. Wachten op een huis. Sommigen zijn er zo slecht in dat ze zo laat mogelijk opstaan, overdag lusteloos op bed hangen en hooguit met familieleden skypen. Anderen gebruiken de wachttijd zo goed mogelijk. Lama leert Nederlands via een app, gaat (met haar moeder) naar de wekelijkse Zumbales, verschijnt ’s avonds in de gemeenschappelijke bar (geen alcohol). En Lama meldde zich meteen voor vrijwilligerswerk bij het Rode Kruis.

Ze vertelt over de vlucht van haar en haar familie. Ze springt op om het kleine rugzakje te laten zien dat ze konden meenemen, en daarna het hesje met ingenaaide geldbuidel dat ze onder haar kleding droeg. Ze vertelt over de nacht dat ze op straat moesten slapen in Turkije. Zij! Op straat. En er lagen ook nog allemaal kleine kiezeltjes. En de nacht dat ze in het pikdonker door de maisvelden liep en de grens tussen Macedonië en Servië overstak, was ze jarig! Kan je het je voorstellen? „Toen ik twintig werd vierde ik mijn verjaardag in een restaurant met mijn familie.” Dan springt ze op om koffie te zetten. En wil ze graag precies weten hoe dat nou werkt, zo’n ov-chipkaart.

Poepen boven het doucheputje

COA-medewerkers hebben een eigen vleugel met een deur die automatisch in het slot valt. Daar werken ze in shifts van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, vergaderen ze en lunchen ze op woensdag met kibbeling en haring van visboer De Rode Kreeft. Zodra ze de deur door stappen, portofoon in de hand, worden ze aangesproken. Asielzoekers hebben altijd vragen en COA-medewerkers antwoorden, helpen, leggen uit en verwijzen.

Ze doen hun best binnen de kaders die de politiek heeft gesteld. Sobere opvang. Bed, bad, brood. Dat je pas na een half jaar mag werken en pas Nederlands mag leren als je een verblijfsvergunning hebt, is niet gunstig voor de integratie. Ze weten dat mensen soms al acht keer zijn verhuisd voor ze in Musselkanaal arriveren. En ze vertellen hun bewoners dat ze niet kunnen kiezen waar ze willen wonen. Ook niet als ze al familie hebben in een bepaalde plaats. Zo is dat nu eenmaal.

Gezinnen met kinderen brengt De Kiewit het liefst onder in de aanleunwoningen, die ook bij het azc horen. Zo kunnen ze vast wennen aan het zelfstandig wonen in Nederland. ‘Woonbegeleiders’ leggen het leven in Nederland zo goed mogelijk uit. Voor hen die geen Engels spreken, gaat dat met pictogrammen. Een man poepend boven het doucheputje met een kruis er doorheen. Je kunt erom lachen maar als je gewend bent je behoefte in een gat in de grond te doen, is het weer niet zo gek.

Het azc hangt vol pictogrammen. Een tekening van een persoon met donkere plekken die extra goed schoongehouden moeten worden: geslachtsdelen en oksels. Woonbegeleiders nemen ook plaatjes mee als ze eens in de zes weken een hygiënebezoek afleggen. Een vieze koelkast met een kruis er door. Schone ernaast.

We weten uit ervaring waar problemen kunnen ontstaan, zegt woonbegeleider Richard. Dus legt hij uit dat je tijdens het boodschappen doen in de supermarkt geen potjes mag opdraaien en met je vinger een lik nemen om te kijken wat het is. Ze lopen ook steeds tegen nieuwe kwesties aan. Waarom blokkeert de moneycard van Syriërs zo vaak? Het duurde een tijdje voor de woonbegeleiders erachter waren. Richard: „Ze voerden de code in van rechts naar links. In Syrië betaalt iedereen cash. Alleen zakenmannen hebben een pinpas.”

54 cent per uur

In het azc klitten de mensen naar afkomst bij elkaar. De Syriërs vinden de Eritreeërs een beetje vreemd. Hun eten ruikt vettig, vinden ze. En de Eritrese vrouwen dragen bijvoorbeeld hun jonge kinderen op de rug. Daar krijgen die het toch benauwd! De Eritreeërs vinden de Syriërs hautain. Alleen de kinderen maken geen onderscheid. Zij rennen door de gangen, schommelen en fietsen buiten, spelen samen spelletjes op een tablet in de wifigang.

Voor het kantoor van huismeester Roel zitten veertien jongemannen aan de thee met pindakoeken. Uit Syrië en Eritrea natuurlijk, er is ook een jongen uit Nigeria, een uit Somalië en een uit Irak. Ze hebben net buiten geschoffeld. Nu is er pauze.

Huismeester Roel vervult een belangrijker rol in het azc dan zijn functie doet vermoeden. In een zijvleugel verzamelt hij bewoners, vooral jongeren, die iets willen doen. Omdat ze gek worden van het nietsdoen. Soms krijgt de huismeester een briefje van de medische dienst (drie huisartsen). Graag een baantje voor meneer X of mevrouw Y. Hij regelt het voor ze. Ze maken schoon, onderhouden het terrein, strijken lakens in de linnenkamer, maken fietsen, doen reparatieklusjes. Ze krijgen 54 cent per uur. „Dat is toch weer een pakje sigaretten of een pak luiers”, zegt Roel.

De een omarmt het nieuwe land, de ander verdrinkt in heimwee

René de Kiewit, locatiemanager

Hij gaat naast Mohammed (21) zitten. „Waarom drink je niets”, vraagt hij. Mohammed haalt zijn schouders op. Roel klopt hem even op zijn rug. Mohammed is hier alleen met zijn kleine broertje, zal de huismeester later vertellen. De rest van zijn familie zit nog in Syrië. „Ik hoop dat het werk hem een beetje afleidt. En dan kan ik het meteen een beetje in de gaten houden.”

Er zit nog een jongen te verkommeren maar om een andere reden. Ebrahim (24), afgestudeerd ingenieur aan de Aleppo University, heeft net een dochter gekregen in Syrië. Zijn eerste kind. Ze heet Ria. Naar de vrijwilligster die hem Nederlandse les gaf in azc Den Helder en hem door die zware maanden heen hielp. Ria was verguld met de vernoeming, zegt Ebrahim. „Ze voelde zich een beetje haar grootmoeder.” Dan gretig: „Wil je haar zien?” Hij pakt zijn mobiel en laat twee foto’s van de kleine Ria zien. Een met ogen dicht, en een met ogen open.

Roel neemt de mobiel aan en bekijkt de foto. Hij slaat zijn hand voor zijn mond. „Wat een práchtige baby”, zegt hij. Ebrahim ontspant even en lacht. „Ja. Ja hè.” Ebrahim had gehoopt zijn vrouw nog voor de geboorte naar Nederland te krijgen. In Nederland hoorde hij dat gezinshereniging lang kan duren. Hij durft haar bovendien niet met een baby de grens te laten oversteken. Nu heeft hij spijt van zijn vlucht. De wanhoop staat op zijn gezicht.

Een huis mag je niet weigeren

Het kan ook anders De vrouw en dochter van Ainom Tedla (33) uit Eritrea zijn inmiddels wel in Nederland. Hij gaat met Semhay Teclesenbet (ongeveer 29) en Lulia (5) in een rijtjeshuis in Cuijk wonen. Een ouder echtpaar gaat hen helpen met integreren. Het zijn hun laatste dagen in Musselkanaal. Tedla wil best vertellen over zijn leven. Hij doet dat in goed Engels, uitzonderlijk voor Eritreeërs. Ook bijzonder: zijn vrouw komt erbij zitten en spreekt ook behoorlijk Engels. Zij werkte in Eritrea voor het ministerie van Landbouw.

Tedla studeerde medicijnen in Asmara en werkte enkele jaren als algemeen dokter. Hij kreeg de kans een jaar in Maastricht te studeren met een beurs – de meeste jonge Eritreeërs moeten oneindig lang in het leger. Hij begon in september 2013. „Het was een andere wereld. Alles ging online, daar moest ik enorm aan wennen. In Eritrea stond alles op het bord.” Aan het eind van het studiejaar had hij besloten om niet terug te keren. Hij vroeg asiel aan.

Ainom Tedla gaat het redden. Niet alleen door zijn opleiding en goede Engels, ook vanwege zijn karakter. Als arts deed hij de schoonmaakopleiding in Musselkanaal. Alles beter dan niks doen en hij is realistisch genoeg om te weten dat hij niet meteen als dokter aan de slag zal kunnen.

Op de derde verdieping van het azc worden bewoners met een tijdelijke verblijfsvergunning voorbereid op het echte leven. Nederland op z’n ideaalst leren ze kennen in de les Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Nederland-regelland in sneltreinvaart met behulp van een powerpoint. De eerste sheet is een foto van een horloge. COA-medewerker Maarten legt het uit. „In Nederland is iedereen op tijd.” Volgende sheet: een telefoon met kruis erdoor. Maarten, zonder te haperen: „In Nederland zetten we regelmatig de telefoon uit. Dat is beleefd.”

Het Huis komt aan de orde. Iedereen gaat rechtop zitten. Een huis, een eigen plek, wordt het meest begeerd in een azc. Het betekent dat je mág blijven. En het betekent dat je kán blijven. Maar een huis is niet altijd een huis, vertelt Maarten. De volgende sheet laat zien waar ze ook terecht kunnen komen: een plaatje van een vakantiehuisje, een containerwoning en een kantoorpand. Maarten: „Reken in elk geval niet op een gróót huis.”

Een aanbod van een huis krijg je maar een keer. Je mag niet weigeren, tenzij – de volgende sheet toont een foto van een ruïne. „Hé, Syrië”, grappen jonge Syrische mannen. „Dít mag je weigeren”, zegt de COA-medewerker. „Maar dit niet.” Een foto van een badkamer, de wasbakken liggen op de grond. „Dit gaat namelijk de woningbouwvereniging maken.”

Vragen genoeg van de leerlingen. Wat is een woningbouwvereniging. Mag je barbecuen in je tuin? En als je alleen een balkon hebt? Hoe laat moet het ’s avonds stil zijn? Nederlanders gaan toch heel vroeg naar bed? En waarom is het kunstlicht hier zo geel? Maarten beantwoordt de vragen zo goed mogelijk. Niet álle Nederlanders gaan vroeg naar bed. En misschien zijn het spaarlampen?

Doetinchem was geweldig

Dan verschijnt het woord ZELFVERANTWOORDELIJKHEID op het digibord. „Daar zijn we nogal van in Nederland”, zegt de leraar droog. De pinpas, het burger servicenummer, de DigiD, het klasje snelt door gedigitaliseerd Nederland.

Zit je eenmaal met je DigiD in je nieuwe huis, dan mag je niet discrimineren, zo leren de vluchtelingen. Tekeningetjes van een moslim, een christen en een hindoe lachend naast elkaar. Als je homo bent, dan kan dat gewoon, zegt Maarten. „Je kunt zelfs trouwen.” Op het digibord een plaatje van twee mannen in pak, hand in hand op een bruidstaart.
De klas staart naar de plaat.
„Wat vinden jullie daarvan?”
Het is even stil.
„Ik zou het zelf niet doen, maar ik respecteer het wel”, zegt een Syrische man uiteindelijk. Iedereen ademt uit.

Bij een kop Arabische koffie praat de familie Abd Al Molah na over de lessen Nederland. Behalve van de les Kennis van de Nederlandse maatschappij, kennen ze het land alleen van de azc’s. Doetinchem vonden ze geweldig, zegt Lama. Vrijwilligers zorgden voor uitstapjes. Een Nederlands gezin verzorgde een partijtje voor Tala die daar vijf werd. Doetinchem was ook zo prettig omdat het na Budel kwam. In Budel hebben ze weinig gelachen.

Het was in Budel dat Anas en Ahmed terugliepen van het dorp naar het kamp, toen drie blonde jongens hen inhaalden op de fiets. Ze jouwden hen uit, spuugden, staken hun middelvinger op en begonnen te schoppen en stompen. Anas en Ahmed kwamen met schaafwonden terug. Maar erger nog: ze waren in tranen. En dat terwijl Syrische jongens eigenlijk niet huilen, legt hun moeder uit. Ze vond het moeilijk om aan te zien.

De politie kwam direct. De agenten waren vriendelijk en namen het voorval zeer serieus. Maar ze zeiden ook dat ze weinig konden doen: er zijn zoveel blonde jongens met blauwe ogen in Nederland. Vanaf die dag hadden Anas en Ahmed eigenlijk niet meer zoveel zin in het nieuwe leven.