Kwaad op terroristen? Wees maar wat bozer op de staat

De staat heeft het geweldsmonopolie. Het onvermogen om terrorisme en aanslagen werkelijk te bestrijden, is de staat daarom zwaar aan te rekenen, meent Paul Cliteur.

BRUSSEL - Op het Brusselse Beursplein worden met krijt leuzen en boodschappen van steun en liefde geschreven, bloemen neergelegd en kaarsen aangestoken. Hiermee tonen mensen hun solidariteit met de slachtoffers van de aanslagen in Brussel. Foto Jonas Roosens / ANP

Een van de opvallendste zaken in de verwarrende gebeurtenissen rondom de aanslagen in Brussel is misschien wel dat zo weinigen dit zien als een falen van de staat. Toch is het dat. Waar hebben we anders een staat voor? Een staat is een organisatie die de pretentie heeft burgers te beschermen tegen elkaar en tegen vijandige aanvallen vanuit andere staten. Die primaire functie van de staat noemt men chic ‘het geweldsmonopolie’. De staat ontwapent zijn burgers, stelt politie en justitie in, en berecht conflicten. Maar sinds 9/11 en de vele aanslagen die daarop volgden, lijkt het duidelijk dat de staat de taak waarvoor hij is opgericht helemaal niet kan of wil vervullen. Politici spreken over terroristische aanslagen alsof het natuurfenomenen zijn; iets waar je wel over kan treuren, meelopen in een stille mars, met kaarsjes bij elkaar kan komen, maar het lijkt niets te maken te hebben met hun bestuurlijk falen. Als de Franse president Hollande na de aanslag op Charlie Hebdo 70.000 politiemensen op straat kan krijgen, waarom stonden er dan niet een paar meer dan twee voor de deur bij de redactie van het satirisch weekblad? Hoe kan het zijn dat Salman Rushdie bijna dertig jaar na dato nog steeds als opgejaagd wild door de wereld gaat?

Het zijn vijftien verloren jaren in de strijd tegen de terreur geweest

Het lijkt erop alsof de staat denkt dat aanslagen vanzelf ophouden wanneer je maar niet te diep ingaat op de oorzaken ervan. En die oorzaak is een manier van denken. De Kouachi-broers, Coulibaly, Abdeslam – wat zij in ieder geval gemeenschappelijk hebben is een manier van denken, een gemeenschappelijke set van idealen. Of we die manier van denken moeten aanduiden als een ‘religie’, een ‘ideologie’, een combinatie van een religie en een ideologie, daarover is verschil van mening. Maar wat het ook moge zijn, duidelijk lijkt dat die manier van denken niet vanzelf weggaat door er geen aandacht aan te schenken.

Men kan het ook zo formuleren: de staat heeft de afgelopen jaren geen noemenswaardig ‘cultureel contraterrorisme’ ontwikkeld. Sterker nog, men denkt – of is er zelfs fanatiek van overtuigd – dat dat allemaal niet helpt („dan gaan de hakken alleen nog maar verder in het zand”). En zo wordt de markt overspoeld met reclame voor de gewapende strijd in verre landen zonder dat de staat daar een aansprekend eigen verhaal tegenover stelt. Een verhaal over democratie, rechtsstaat, mensenrechten en het leven in een wereld waar je gewoon boeken mag lezen met plaatjes van alle goden en profeten die deze wereld maar heeft gekend. Natuurlijk moet er worden opgespoord, vervolgd en berecht. En natuurlijk zijn voor terrorisme ook allerlei geopolitieke factoren aan te voeren. Maar terrorisme is ook een manier van denken. Een manier van denken die moet worden geanalyseerd door op de religieus-ideologische grondslagen daarvan in te gaan. Dit is de afgelopen vijftien jaar niet gebeurd. En daarom zijn het verloren jaren voor de terrorismebestrijding geweest. Misschien dat Brussel nu een wake-upcall is en dat dit gaat veranderen. „Heilige Socrates, bid voor ons”, zei Erasmus. Laten we inderdaad bidden dat dit gaat gebeuren.