Weerloos wakker in het wit

Menno Wigman neemt in zijn nieuwe bundel afscheid van de Schoonheid, met hoofdletter S, maar zelfs op de afschuwelijkste momenten zijn de regels perfect verzorgd.

In een gedicht uit zijn nieuwe bundel, Slordig met geluk, vertelt Menno Wigman ons over de tijd waarin hij begon te schrijven. ‘Toen ik begon te schrijven woonde ik in een dorp/ met vuilwit zonlicht in mijn mond.’ Dat klinkt mooi dichterlijk, en ook opstandig. ‘Ik trapte naar de zon en wist niet hoe te leven.’ Sommige dingen stonden wel al vast. ‘Toen ik begon te schrijven stond het geschreven/ dat ik naar Amsterdam zou komen.’ Maar wat leverde dat schrijversleven nu eigenlijk op? ‘Geen regel bleef’. Hij had lief, hij dronk, hij reisde wat, maar ‘nog had ik niks beleefd’. Hij zocht het in boeken en in muziek – en viel toen stil.

Wigman beschrijft dus, in een gedicht, zijn eigen mislukking als dichter, en ook als mens. Dat was al erg genoeg, maar later deed, ineens, de dood zijn intrede in zijn leven. ‘De dood stond aan mijn autodeur te rukken/ en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal.’ Let op de drie w’s, want ook in doodsnood moeten de regels er goed verzorgd uitzien. Wat deed die ervaring met hem? ‘Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot.’ Let op de drie sch’s, want ook bij het nemen van een kras besluit moeten de regels er goed verzorgd uitzien. Pas toen hij de dood in de ogen had gekeken kon hij afscheid nemen van de Schoonheid, met een hoofdletter, ‘en kwam ik grimmig zingend op verhaal.’

Verhaal

Wigman zal er plezier in hebben gehad zijn lange gedicht over zijn dichterschap te eindigen met het woord ‘verhaal’ – en om te suggereren dat hij pas nu, nu zijn eigen einde ineens nabij leek, werkelijk is begonnen met schrijven.

Dat is mooi: bijna vijftig zijn, je vijfde bundel publiceren, een breed gewaardeerd dichter zijn – en dan pas werkelijk beginnen. Maar zo is het toch ook weer niet. Er staan in deze bundel een paar gedichten over een ziekenhuisopname ten gevolge van een mysterieuze hartaandoening, en het is duidelijk dat die ervaring erin gehakt heeft, maar de poëzie van Wigman is er niet wezenlijk door veranderd. Dat blijkt niet alleen uit vergelijking met eerdere bundels, maar ook met andere gedichten uit deze nieuwe bundel. Daarin zien we hetzelfde beeld. Eerst het jeugdige dwepen met het dichterschap, dan het succes, de meisjes, de drank en de roes – om er daarna achter te komen dat dit alles maar schijn was. ‘Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?/ Had je maar nooit een gedicht gezien.’ In nog weer een ander gedicht bespot hij zichzelf als een dwangmatige schrijver van strafregels, al ‘een halve eeuwigheid’. Wat een treurig geval. ‘En straks zit je een leven lang/ te schrijven hoe je leeft.’

Wigmans nieuwe bundel sluit in veel opzichten aan bij de vorige. De onderwerpen zijn vertrouwd: de zinloosheid van het schrijven, vervreemding en verveling, neerslachtigheid, ongeluk in de liefde, herinneringen aan de overleden vader en moeder, in memoriam gedichten voor eenzaam gestorven Amsterdammers, voor prins Friso en voor collega’s (Gerrit Komrij, Maarten van Rozendaal, Thomas Blondeau). Veel desillusie. ‘En alles wat ik meekreeg van het leven/ is dat het lang en lastig is gebleven.’

Half hallucinerend

Ook de indeling van de bundel is vertrouwd, met een inleidend en een afsluitend gedicht, en daartussen vijf min of meer thematische afdelingen. Precies in het midden van de bundel staat ‘Intensive care’ waarin Wigman beschrijft hoe hij half hallucinerend twee weken in zijn ‘eigen graf gekeken’ heeft. Het brengt hem tot het inzicht waar de bundel zijn titel aan ontleent: dat hij in het verleden, toen alles nog vanzelf ging, ‘slordig met geluk’ is geweest. Leidt dat nu tot een nieuwe houding? Helemaal aan het eind van de bundel breken er zowaar wat lichtpuntjes door. In het slotgedicht geeft hij een opsomming van ‘mooie dingen, allemaal mooie dingen’, van ‘je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt’ en ‘zes moegedraafde paarden in de zon’ tot ‘Diana’s hand die naar je broek afgleed’. Hij verwondert zich erover ‘dat geen dag zich ooit herhaalt’. Hij neemt zich voor al die mooie dingen te benoemen ‘voor ik me met het domme zwart verzoend heb’.

En vlak daarvoor valt hem zomaar een beschrijving uit de pen van zomaar een dag van zon, licht, rust, een mooie herinnering aan school, vroeger. ‘De zon schuift voor de zon. Het is een dag/ van koffie, kamerjassen en geluk/ om niks. Het water kust de kaden schoon./ Een klas loopt door het licht.’ Geluk en verzoening, zou dat de nieuwe Wigman zijn? Minder slordig met geluk? Misschien. Maar eerst dient zich in de slotregel nog even de oude Wigman aan. Wat moet je met zo’n gedicht over geluk? ‘Toch mooi dat dit/ gedicht niet nodig is.’