Liever niet terug naar autobommen

Afghanistan Volgens Nederland is Afghanistan veilig. Minister Ploumen probeert Kabul tot welwillende medewerking bij opvang te brengen.

Afghaanse vrouwen die terug willen naar hun moederland bij een UNHCR-kantoor in het Pakistaanse Peshawar. Foto Hollandse Hoogte

Het centrum van de Afghaanse hoofdstad Kabul straalt onveiligheid uit. Je rijdt er – lopen is te gevaarlijk voor buitenlanders – langs metershoge betonblokken voor gebouwen, vaak nog eens met rollen prikkeldraad erbovenop. Tegen autobommen. Ook wemelt het van de zwaarbewapende bewakers. Tegen ongewenste indringers, met name de Talibaan. Veel expats begeven zich slechts in gepantserde auto’s, met scherfvesten aan, van de ene betonnen vesting naar de andere, zonder ooit op een markt of in een winkel te komen.

Buiten het centrum oogt het minder grimmig, maar ook daar dreigen gevaren. „Mensen die wat meer geld hebben, lopen het gevaar te worden ontvoerd”, vertelt Ahmed Chacho, een in Nederland opgegroeide Afghaanse ingenieur en hier adviseur van de onderminister van Infrastructuur.

„Pas kwamen er mannen voor mijn oom. Gelukkig namen ze per abuis een ander met dezelfde naam mee.”

Op het platteland is het met de veiligheid vaak nog veel slechter gesteld. Daar wordt meer dan voorheen gevochten tussen het leger en de Talibaan.

Wie wil er nou terug?

Het is geen tweede Syrië, maar welke naar Europa gevluchte Afghaan keert graag terug naar zo’n land? Welgeteld 30 Afghanen uit Nederland deden dat in 2015 vrijwillig, 23 uitgeprocedeerde asielzoekers gedwongen. In tegenovergestelde richting kwamen intussen 2.945 Afghanen naar Nederland. In 2014 vroegen er nog 452 asiel aan.

De Nederlandse regering wil dat meer van de ruim 43.000 Afghanen terugkeren en dat Afghanistan zich daarbij coöperatiever opstelt. In het huidige politieke klimaat geldt immers: hoe meer vluchtelingen Nederland verlaten, hoe beter.

Aan minister Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) de delicate opgave de geesten daarvoor rijp te maken bij een bezoek aan Kabul vorige week. „Het zou ons een lief ding waard zijn als Afghanistan gewoon zijn verplichtingen nakomt”, zei ze. Op grond van zijn eigen grondwet en internationale verdragen zou Afghanistan dat ook moeten.

Maar Ploumen heeft ook begrip voor de Afghaanse positie. „Terugkeer is deel van een breder probleem”, zegt ze. „Voor de Afghaanse economie is het geld dat Afghanen uit het buitenland naar huis sturen belangrijk. Bovendien zijn er weinig banen voor jongeren, ook voor hen die beter zijn opgeleid.” Velen trekken daarom weg.

„Met de terugkeer loopt het stroef”, erkent ze. Nederland is niet het enige land dat Afghaanse vluchtelingen probeert terug te zenden. Duitsland had vorig najaar een aanvaring met de Afghaanse autoriteiten toen het eiste dat Kabul afgewezen asielzoekers zou terugnemen. Slechts een op de drie asielzoekers kon er op asiel rekenen.

Terugnemen onder voorwaarden

„We kunnen nooit nee zeggen tegen Afghanen die terugkeren”, zegt nationaal veiligheidsadviseur Mohammad Hanif Atmar na een gesprek met Ploumen.

„Maar bij onvrijwillig terugkerende Afghanen moet wel aan voorwaarden zijn voldaan. De gevolgde juridische procedure moet correct zijn en er moet enige opvang zijn voor zulke mensen na hun terugkeer.”

Als Nederland wat meer helpt met die opvang, zal het soepeler gaan, suggereert hij. Ploumen wil wel helpen, maar veel meer dan nu mag het niet kosten.

Wat Atmar niet zegt maar wat ook meespeelt, is dat de Afghaanse regering wordt geconfronteerd met enorme aantallen terugkerende vluchtelingen uit Pakistan en Iran, al decennialang gastheer voor enkele miljoenen gevluchte Afghanen. Beide buurlanden zijn strenger geworden jegens de Afghaanse vluchtelingen. „Dagelijks keren zo’n 2.000 Afghaanse vluchtelingen uit Pakistan en Iran terug. De afgelopen jaren waren het er al zo’n 500.000 per jaar en nu neemt dat nog toe”, zegt Laurence Hart, chef van het kantoor van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in Kabul. Ook zij hebben huisvesting en een baan nodig.

Als het hier zo blijft, ga ik terug naar Europa

Mustapha Hashemi, Afghaan

Een interessante voetnoot daarbij is dat relatief veel van de Afghanen die naar Europa gaan, vluchtelingen van de tweede en derde generatie uit kampen in Pakistan en Iran zijn. Hun band met Afghanistan is losser. Ze zien geen toekomst in het arme, onveilige land.

Voor hoger geschoolde vluchtelingen zijn er al speciale programma’s om hen vrijwillig naar het moederland terug te halen. Ze kunnen op enige financiële steun rekenen, tot ruim 3.000 euro de man. Nederland betaalt daar ook aan mee. Wie een bedrijf wil beginnen, kan meer krijgen. Massoud Habib, een wat stuurs kijkende man, keerde terug wegens een familiekwestie. Aanvankelijk werkte hij bij een bouwbedrijf.

„Maar toen mijn baas was doodgeschoten ben ik zelf een motorwinkel begonnen. Daarbij kreeg ik 3.000 euro steun van IOM.”

Niet elke vrijwillige repatriant is tevreden. Mustapha Hashemi klaagt dat hij een master’s degree heeft en nu bij een klein bedrijfje werkt, ver onder zijn kunnen. „De IOM zou mensen zoals ik moeten helpen een baan te vinden”, zegt hij in de tuin van het IOM-kantoor bij een gesprek met Ploumen.

„Als het zo blijft, ga ik terug naar Europa als ik de kans krijg.”