Recht & Onrecht

De Togacolumn: En als de politie de taxi met terroristen had mogen controleren?

Hoe ver mag de politie gaan met een dynamische verkeerscontrole als daarmee de aanslag op Zaventem had kunnen worden voorkomen? Terwijl ik de afgelopen dagen het nieuws volgde over de recente aanslagen op en bij het vliegveld Zaventem in Brussel, stelde ik mijzelf deze vraag. Wat zouden wij, met de wetenschap van nu, vinden van de situatie waarin de taxichauffeur die de zelfmoordterroristen naar Zaventem bracht, door de politie was staande gehouden voor een verkeerscontrole, met de eigenlijke bedoeling om een praatje te maken, vragen te stellen en de bagage te controleren? Stel nu dat vervolgens de explosieven werden gevonden.

Onlangs sprak het Hof Amsterdam een verdachte vrij van het aanwezig hebben van hennep, nadat deze vondst was gedaan bij een dynamische verkeerscontrole. Deze controlebevoegdheid zou zijn ingezet op een manier waarop de wetgever die niet had bedoeld. In de visie van het Hof behelsde de dynamische verkeerscontrole misbruik van de controlebevoegdheid omdat de politieambtenaren die de controle uitvoerden niet daadwerkelijk waren geïnteresseerd in een controle op de naleving van verkeersvoorschriften. De controle was in feite een strafvorderlijke ‘fishing expedition’, met als doel om op basis van ‘vage risicokenmerken’ geselecteerde automobilisten ‘mogelijk belastende informatie te verkrijgen’. Naar het oordeel van het Hof is het van groot belang dat een ieder erop kan vertrouwen dat overheidsorganen de hun toegekende bevoegdheden gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn gegeven. Dynamische verkeerscontroles als deze maken een aanzienlijke inbreuk op dat vertrouwen, beperken de vrijheid van beweging en schenden de persoonlijke levenssfeer, aldus het Amsterdamse Hof. Het OM stelde cassatieberoep in. De zaak loopt dus nog. Toen in het nieuws kwam dat de inzet van de dynamische verkeerscontroles intussen wel zou doorgaan, spraken de advocaten van de betreffende verdachte in de Amsterdamse zaak zich kritisch uit richting het OM. Zij meenden dat vanuit ‘rechtstatelijk’ oogpunt sprake was van een zorgelijke situatie.

 

Het OM en de politie hebben bevoegdheden die diep kunnen ingrijpen in de levens van burgers. Dat brengt de plicht en de verantwoordelijkheid met zich mee om daar zorgvuldig mee om te gaan. De toekenning van deze bevoegdheden berust immers op het vertrouwen van de burger in de overheid. Steeds wordt verwacht dat de juiste afweging wordt gemaakt of een bepaalde bevoegdheid of opsporingsmethode in een situatie kán of moet worden ingezet. De inzet van bevoegdheden moet proportioneel zijn en er mag geen redelijk alternatief voor zijn. Die afweging wordt sterk beïnvloed door de mate van criminaliteit en terreur waar de samenleving last van heeft.

 

Wetten en regels kunnen namelijk op verschillende manieren worden geïnterpreteerd en toegepast. Dit kan afhankelijk zijn van veranderde juridische inzichten, van de strafzaak waarin het moet worden toegepast, of van gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Zeker als er sprake is van een botsing van mensenrechten, zoals in het geval van de dynamische verkeerscontrole waarin het recht op bewegingsvrijheid en het recht op privacy botst met het recht op bescherming van uw veiligheid en soms zelfs ook bescherming van het recht op uw leven, zijn de maatschappelijke context en opvattingen voor de beoordeling van belang. Het is uiteindelijk aan de rechter om bij de interpretatie en toepassing van wetten en regels een juiste afweging te maken van rechten en maatschappelijke belangen. Volgens de Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin vraagt de ‘integriteit van het recht’ aan rechters om de wet uit te leggen als een samenhangend geheel van principes dat in iedere zaak afzonderlijk leidt tot een eerlijke en rechtvaardige uitkomst. Het vereist niet dat men voor altijd en eeuwig zonder meer gebonden is aan de doelen waarmee de wetgever een bepaalde wet heeft gemaakt, als er wellicht andere maatschappelijke doelen te dienen zijn. Integriteit van het recht verzet zich niet tegen deze vorm van diversiteit.

 

Ook het OM maakt iedere dag en in iedere zaak weer in een steeds complexer wordende samenleving de noodzakelijke afwegingen van rechten en belangen. Bij het handhaven van de wet, bij het toepassen van wetten en regels, bij het gebruik maken van gegeven bevoegdheden om criminaliteit op te sporen en te bestrijden, doet het OM dat steeds zowel vanuit een rechtstatelijk perspectief alsook vanuit een maatschappelijke oriëntatie.

Stel dat met een dynamische verkeerscontrole voorkomen zou zijn dat zoveel burgers slachtoffer zouden zijn geworden van de verschrikkelijke terreurdaad bij Zaventem en dat zoveel nabestaanden onbeschrijfelijk verdriet zou zijn bespaard. Zouden u en ik dan tegen elkaar zeggen dat desondanks die verkeerscontrole niet had mogen plaatsvinden en dat de verdachten vrijuit zouden moeten gaan?

Het woord is thans aan de Hoge Raad

Miranda de Meijer is advocaat generaal bij het parket in Den Haag en bijzonder hoogleraar OM bij de UvA. De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie.

 

 

 

Blogger

Miranda de Meijer

Miranda de Meijer studeerde rechten in Rotterdam en werkte bij Spong advocaten in Amsterdam. Zij promoveerde op de rol van het OM in civiele zaken, werd officier van justitie, later advocaat-generaal bij het ressortsparket, gespecialiseerd in cassaties, in Den Haag. Zij is tevens hoogleraar op de bijzondere leerstoel Openbaar Ministerie van de faculteit rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Zij doet daar onder meer onderzoek naar ondermijnende criminaliteit. (Foto UvA Jeroen Oerlemans)