Zijn de vrouwen hun laatste hoop?

Een van de ‘ontdekkingen’ van de economische crisis is de kloeke kracht van het familiebedrijf. De grotere Nederlandse familiebedrijven bleken beter bestand tegen de klappen die de crisis uitdeelde dan beursgenoteerde ondernemingen. Denk aan Jumbo (supermarkten), Pon Holdings (autodealers, fietsen), Van Oord (baggeraar) en VDL (industrie).

Maar hoe blijf je een winnaar als je familie ook je grootaandeelhouder is? Hoe blijft de vitaliteit van het bedrijf op peil als je geen confrontaties met buitenstanders hoeft aan te gaan? De traditionele familiebedrijven hebben geen beursnotering, dus geen kritische analisten, geen lastige Vereniging van Effectenbezitters die je met kennis van zaken op aandeelhoudersvergaderingen bevragen.

En dan blijkt uit wetenschappelijk onderzoek ook nog dat familiebedrijven tot de slechtst geleide ondernemingen behoren. Met dank aan hoogleraar Janka Stoker (Universiteit Groningen), die me daarop attent maakte. In onderzoek naar ondernemingen in de detailhandel en de industrie bleken familiebedrijven waar de oprichter aan het roer stond, de zwakste leiding te hebben. Als één na zwakste kwamen familiebedrijven uit de bus met een familielid als directievoorzitter. Relatief het beste doen familiebedrijven het waar een buitenstaander de leiding heeft. Maar ondernemingen met veel verschillende eigenaren, zoals beursgenoteerde bedrijven, en ondernemingen die in handen zijn van private-equityfinanciers hebben betere leiding dan die familiezaken.

De allergrootste familiebedrijven in Nederland, zoals SHV (energie, groothandel, participaties in bedrijven) van de familie Fentener van Vlissingen en Heineken, zijn een aparte categorie. Zij zijn groter en internationalener dan de meeste beursgenoteerde bedrijven. Zij zijn zich ook als geen ander bewust van hun kwetsbaarheid. Ze putten immers uit een klein reservoir talent. Moet een familielid de leiding hebben? Heeft hij of zij de capaciteiten? Kan ‘ie ‘t aan?

Als een buitenstaander de leiding krijgt, is de familie dan in staat als aandeelhouder tegenspel te geven? Of moeten zij buitenstanders zoeken? Maar wie dan? En hoeveel moet je die man of vrouw betalen? Wie verstaat de taal van familiebedrijven met miljardenomzetten en tienduizenden werknemers? En wie kent hun zorgen uit eigen ervaring? Zoveel vragen.

De Nederlandse familiegrootmachten zoeken steun onder gelijkgestemden: andere internationale ondernemersfamilies. Op de agenda van de aandeelhoudersvergadering van Heineken op 21 april staat de benoeming geagendeerd van Pamela Mars-Wright (55) als nieuwe commissaris. Heineken is weliswaar beursgenoteerd, maar Charlene de Carvalho-Heineken beschikt via twee beleggingsmaatschappijen over het doorslaggevende stemrecht. Mars is ook een familiebedrijf. Mars is ook een echt merkenbedrijf op de consumentenmarkt.

De nieuwe commissaris Mars-Wright is de „vierde generatie van de familie Mars die werkzaam is in het bedrijf”, zo houden de commissarissen van Heineken hun aandeelhouders voor. Zij wordt mede benoemd vanwege haar „ervaring in ondernemingen met een familiekarakter”. Zij is al commissaris bij SHV. Op haar beurt is Annemiek Fentener van Vlissingen, de president-commissaris van SHV, commissaris bij Heineken.

Zij nemen deel aan een van de meest exclusieve netwerken: de internationale zakendynastieën. En zij zijn ook nog eens vrouwen aan de top.