Voorbij, die tijd van lekker doorbesturen zonder debat

Als het Oekraïnereferendum dan toch over de EU gaat, dan is dit volgens Peter van Ham de vraag: willen we een machtige en ambitieuze EU, of niet?

Brussel, 17 maart 2016 - Premier Rutte met Voorzitter van de Europese raad Donald Tusk, president Hollande en president van de Republiek Litouwen Dalia Grybauskaite tijdens een Europese top waarbij het draait om een deal met de Turken over een gezamenlijke aanpak van de vluchtelingencrisis.

De messen worden geslepen in het debat over het Oekraïnereferendum, 6 april. Voorstanders van een associatieverdrag bevinden zich vooral in het gematigde politieke midden en spreken lovende woorden over de EU. Tegenstanders zien het referendum als een uitgelezen kans om het groeiende maatschappelijke ongenoegen ten aanzien van de EU te ventileren.

Dat is zeker niet vreemd; weinig mensen interesseren zich immers voor Oekraïne, terwijl de meesten een mening hebben over de toekomst van de EU. Ongeacht de uitkomst maakt het referendum duidelijk dat het moeilijk wordt voor de EU om nieuwe projecten te lanceren zonder directe inspraak van de ‘Europese’ bevolking. Of Brussel dit nu wil of niet, het referendum gaat over de vraag: willen we een machtige en ambitieuze EU, of niet?

Het Ja-kamp baseert zich op twee argumenten. Ten eerste zou het associatieverdrag eigenlijk een normaal handelsverdrag zijn dat Oekraïne niet via de achterdeur de EU binnen loodst. Voorstanders zeggen daarom: waar maken GeenPeil c.s. zich eigenlijk druk om? Ten tweede zou afwijzing van het EU-verdrag Rusland in de kaart spelen.

Vergelijkingen tussen Poetin en Hitler worden niet geschuwd, waarbij de onderliggende boodschap is dat de EU nu niet mag inbinden, anders komt een nieuw conflict met Rusland gevaarlijk dichtbij. Poetin zou bij een ‘nee’ immers de conclusie trekken dat militaire agressie (zie de Krim) loont. Natuurlijk kunnen deze argumenten niet beide waar zijn: of het gaat hier om een belangrijk akkoord dat Poetin een geostrategische bloedneus slaat en dan is het dus veel meer dan een luttel handelsverdragje. Of het is inderdaad het zoveelste associatieverdrag dat de EU afsluit, wat tevens betekent dat de Derde Wereldoorlog niet zal uitbreken mocht het Nederlandse volk in meerderheid ‘nee’ stemmen.

Het referendum legt echter de vinger op de zere plek: de tijd dat de EU belangrijke projecten kon doorvoeren zonder publieke discussie en directe inspraak van de bevolking, is nu definitief voorbij. Bondskanselier Kohl kon in de jaren negentig nog als een kleine dictator de euro aan de Duitse bevolking opleggen, en ook de EU-uitbreiding naar Centraal- en Zuid-Europa werd zonder breed publiek debat doorgezet. In 2005 kon de Europese politieke elite de Frans-Nederlandse afwijzing van de Europese Grondwet nog gewoon negeren, en opende het zelfs enkele maanden na het oorverdovende ‘nee’ toetredingsonderhandelingen met Turkije. Sinds de economische crisis losbarstte in 2008 is het politieke tij echter gaan keren. Grote projecten zoals de euro en ‘open grenzen’ worden verantwoordelijk gehouden voor de massale jeugdwerkloosheid (binnen de eurozone op een recordhoogte van 22 procent) en de overspannen verzorgingsstaat waar nu ook miljoenen migranten uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten aanspraak op maken.

Een groeiend deel van de ‘Europese’ bevolking staat daarom kritisch ten aanzien van de EU en probeert dit aan de Brusselse elite duidelijk te maken. In de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2014 stemde bijna 1 op de drie kiezers op een eurosceptische partij (waaronder de PVV, UKIP, FN, FPÖ en Syriza), maar dat bleek onvoldoende; de verwerkelijking van een ‘ever closer union’ gaat immers gestaag door. Eurosceptische burgers grijpen daarom naar andere middelen: in het Verenigd Koninkrijk gaat dit binnenkort via een In/Out-referendum en in Nederland via het Oekraïnereferendum. Dit zal het enthousiasme voor directe inspraak via burgerinitiatieven aanwakkeren, en een serie van referenda over een vrijhandelsverdrag met de VS (TTIP) en de toetreding tot de EU van Turkije lijkt daarom onafwendbaar.

Het Nederlandse Oekraïnereferendum is dus een direct gevolg van de groeiende kritiek op de EU, van zowel de linker- als rechterkant van het politieke spectrum. In plaats van dreigen met de komende apocalyps moeten Brusselse bestuurders accepteren dat het politieke speelveld na 2008 is veranderd. Het verhaal dat politici en bestuurders het altijd veel beter weten dan de bevolking, wordt niet langer geaccepteerd.

Eerdere grote Europese projecten hebben simpelweg te veel maatschappelijke verliezers gekend, waardoor de EU als geheel aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. De EU moet een mogelijke ‘Brexit’ en eventuele afwijzing van het Oekraïneverdrag daarom zien als een teken aan de wand: het anti-establishment-sentiment neemt toe en vormt de opmaat tot een nieuwe fase in de ontwikkeling van EU’s postnationale democratie.

Daar is op zich niets mis mee. Een functionerende EU-democratie is immers een betere bescherming tegen Poetins agressie dan het steunen van een Oekraïense bufferstaat waar corruptie hoogtij viert. Het betekent ook dat de EU voorlopig moet afzien van nieuwe ambitieuze projecten. De EU moet in de tussentijd veel achterstallig onderhoud wegwerken, waaronder de reparatie van haar wankelende democratische fundament.

Dr. P. van Ham is verbonden aan Instituut Clingendael (Den Haag).