‘Oberhausen’ gaat over herinneren en de angst voor vergeten

Hoe herinner je je iemand die nog leeft?’ vraagt hoofdpersoon Martin zich af in het romandebuut Oberhausen van Maarten Moll (1966), literair recensent en columnist van Het Parool. Andere vraag: ‘Hoeveel geheimen blijven geheimen bij de dood van een mens?’ Oberhausen is een boek vol vraagtekens, op sommige bladzijden staan wel tien zinnen in de vragende wijs. Nog een: ‘Waar komt de angst niet herinnerd te worden toch vandaan?’

Die vraagtekens geven aan Oberhausen een wanhopige en ook oprechte toon. Martins vader, Hermann Müller, verzoekt zijn zoon de biografie over hem te schrijven nog tijdens zijn leven. Maar Hermann wil niets prijsgeven met als argument dat de ander toch onkenbaar is. Dus de missie is eigenlijk een valstrik, of eerder een onmogelijke opgave van vader aan zoon. Moll publiceerde in 2011 de poëziebundel Lichaam, waarin ook een onbereikbare vaderfiguur een cruciale rol speelt.

De Duitse grensplaats Oberhausen is het symbolische begin- en eindpunt van het boek. Op zijn vaderqueeste komt Martin er terecht omdat zijn vader een dierbare herinnering aan de stad koestert. Belangrijker dan Oberhausen is Helsinki. Hier brengen vader en zoon een gezamenlijke vakantie door, die rampzalig eindigt: om onnaspeurlijke redenen springt de vader vanaf een vluchtheuvel voor een auto, en raakt in coma.

Vanaf dat ogenblik zweeft hij tussen leven en dood. Voor de zoon als biograaf is dat een prachtig gegeven: vader kan zowel terugkeren naar de levenden als voorgoed afscheid nemen. En ook nu blijven er vraagtekens over.

Maarten Moll houdt van literaire raadsels, een achronologische vertelwijze en literaire verwijzingen. Hij citeert meer dan dertig auteurs en introduceert zelfs een fictieve schrijfster, Tika Schildenfelder-Albatross, die iedereen in de boekenwereld ‘zo saai’ vindt. Ze heeft de langste naam van Finland en een Aziatisch uiterlijk. Haar spannende aanwezigheid is vluchtig, even in een hotelbar. Opeens is ze vertrokken. Weg, net als Martins vader.

Ook speelt Moll een spel met een mogelijke dubbelganger van zijn vader. Dat alles maakt Oberhausen intrigerend, maar ook te puzzelachtig complex. Het meest concrete over zijn vader is dat deze van sport, voetbal en schansspringen, houdt, en dat hij zwemt met paarden.

De kern van Molls roman gaat over herinneren en de angst voor vergeten. Daaraan wijdt hij, als in een mozaïek, de mooiste bladzijden. Zijn proza wordt als poëzie, zoals in een van de sterkste passages waarin Martin de door zijn vader gedumpte kleren van zijn overleden moeder terugkoopt in de kringloopwinkel. Op ontroerende wijze komen de twee obsessies van het boek, herinneren en vergeten, hierin samen.