Ieder zijn Cruijff, voor altijd nr. 14

In de Arena wordt Cruijffs dood betreurd, op sportcomplex De Toekomst zijn leven gevierd. Het recente geruzie is nu futiliteit: bij zijn dood is iedereen Cruijffiaan.

Bezoekers poseren bij een fotro van de donderdag overleden Johan Cruijff. Tienduizenden mensen tekenden afgelopen dagen in de Arena het condoleanceregister, dat tot en met dinsdagmiddag geopend is. Foto Rien Zilvold

Wie heeft er niet wat met Johan Cruijff? Zie de rij voor het condoleanceregister tot ver buiten de Arena, het stadion dat binnenkort wellicht zijn naam draagt. Meer dan een uur wachten om hem de laatste eer te bewijzen. Jong en oud, vrouw en man – al is dat vaak vrouw met man mee. Babyboomers, ‘millennials’ en alles daar tussen, inclusief kroost. Enkelen haken af, de meeste mensen maakt het wachten niet uit. Voor Johan.

Tienduizenden tekenden het condoleanceregister, dat tot en met dinsdag 17.00 uur geschreven kan worden. ‘Bedankt voor wat je ons gegeven hebt’, en varianten daarop. Sunna van Gom – met ‘De Blije Doos’ van de Prénatal in de hand – en haar vriend Marco Veenstra schuifelen voetje voor voetje vooruit in de rij. „Hij was vooral de held van mijn vader, dit is ook voor hem”, zegt Veenstra. Zijn boodschap aan Cruijff is dat hij de groeten moet doen aan zijn pa en dat ze van hem genoten hebben. „Vijftien jaar geleden overleed hij. Het verhaal gaat dat Cruijff mijn vader heeft zien spelen en eens gevraagd heeft om bij Ajax te komen. Maar dat mocht niet van mijn opa. Heb ik helaas nooit kunnen verifiëren.”

Zo gaat dat: ieder zijn Cruijff. Aan de rand van het veld in de Arena staan prachtige platen opgesteld. Cruijff die wijst, Cruijff die tegenstanders dolt, Cruijff die op de schouders gaat. Zijn uitspraak ‘In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk’ staat op een spandoek aan de balustrade. En aan het dak de banier die er al jaren hangt: ‘Enige nummer 14. Voor altijd. Johan Cruijff, Ajacied.’

Niets halfstok

Even verderop, op sportcomplex De Toekomst aan de A2, staan de vlaggen met zijn nummer veertien strak in de harde wind. Niets halfstok: in de Arena wordt zijn dood betreurd, op De Toekomst zijn leven gevierd. Voor het zevende jaar is Tweede Paasdag finaledag van de Future Cup, een internationaal toernooi voor B-junioren (15-16 jaar). Dat is ook Cruijff, de jonge Cruijff: jeugdvoetbal met Pasen. De opwinding van voetbal in de lente. Gezien worden door honderden, duizenden toeschouwers.

Arsenal wint de finale van Anderlecht na strafschoppen, de troostfinale draagt meer symboliek in zich: Ajax-Barcelona (0-2). Cruijff is van beide clubs. Hij was bepalend voor de identiteit, daar in Barcelona en hier in Amsterdam. Vraag maar aan Enrique Álvarez, trainer van Barcelona B1. Die zegt wat je altijd hoort als je een Catalaan naar Cruijff vraagt: „Hij veranderde de mentaliteit. Zonder hem was Barcelona niet wat het nu is.”

Zelf speelde ‘Quique’ Álvarez als verdediger precies één duel onder de trainer Cruijff. Op 3 september 1995, tegen Real Valladolid. Hij was niet goed genoeg voor Cruijffs Barcelona, maar faalde niet. „Ik was erg zenuwachtig, maar hij gaf me vertrouwen en daarom ging het goed” , zegt hij. „Johan Cruijff is altijd een belangrijk mens geweest voor onze familie.” Vader was nog ploeggenoot van Cruijff in de jaren zeventig en werd later trainer van het tweede elftal van Barcelona. Álvarez: „Alles wat we de jongens nu nog leren, danken we aan Cruijff.”

Nieuw kindsterretje

Zou Cruijff genoten hebben van Riqui Puig, nieuw kindsterretje van Barcelona? Een midvoor van twee turven hoog, vijftien jaar oud met Justin Bieber-kapsel. Iel genoeg om El Flaco te kunnen zijn, zoals Cruijff genoemd werd bij Barça. Ook Riqui wijst en verdeelt, stuurt met zijn passes. Verdedigers van Ajax B1 torenen boven hem uit, maar Riqui laat zich zakken, pikt de bal op, doet mooie dingen. Veelbelovend ventje, weet ook het publiek.

Terwijl de rest van Barcelona B1 al lang en breed in de Johan Cruijff-kleedkamer zit na de troostfinale, gaat Riqui op de foto met kinderen die in hem de nieuwe Messi zien. Of Cruijff. Je kan hem maar vast op de foto hebben. Misschien redt ie het niet, misschien wel. „We moeten talent zien onafhankelijk van of ze groot of klein zijn”, zegt zijn trainer Álvarez. „Riqui is een slimme speler. Hij is heel klein, maar hij weet precies wat hij moet doen.”

Indachtig Cruijff: het maakt niet uit hoe lang je bent, hoe zwaar of sterk. Slim en snel, zo was hij zelf en zo zag hij het ideale voetbal voor zich. Techniektrainer bij Ajax Simon Tahamata, zelf 1 meter 64, herinnert zich nog de aanwijzingen die hij van Cruijff kreeg als speler. „Kleintjes moeten zich weren, daar was hij altijd mee bezig. Slimmer zijn, gemeen zijn. Dan zei ie: als je met een verdediger naast je de sprint aantrekt, tik met je linkerhand even dat rechterbeen van hem aan, dat ie over zijn poten struikelt. Heeft de scheidsrechter nooit in de gaten.”

Met de dood van Cruijff kan Tahamata zich moeilijk verenigen. „Het ging góed, had ie nog gezegd. Toch? Het ging góed.” Maar het ging ineens heel hard. Donderdag overleed Cruijff, op 68-jarige leeftijd.

Hij stierf in onmin met de clubleiding van Ajax, waarmee hij vier maanden geleden brak. Of liever: de club brak met zijn vertrouweling Wim Jonk en toen brak Cruijff met de club. „Ik stop ermee”, tekende hij op  in zijn column in De Telegraaf. „Misbruik mijn naam niet langer.”

Het zou het laatste hoofdstuk blijken in de twistzieke geschiedenis van Cruijff met Ajax. Waar ging het allemaal over? Maakt niet meer uit. Iedereen is nu Cruijffiaan. Het gekijf, zo recent nog: een futiliteit in de context van de ingetreden dood.

„Het was erg onprettig, de afgelopen tijd. Maar onze taak is, was en blijft de beste jeugdspelers voortbrengen”, zegt trainer Frank Peereboom van Ajax B1. „In de individuele talentenbegeleiding zijn afgelopen jaren enorme stappen gemaakt. We blijven Cruijffs gedachtegoed uitdragen. Geen twijfel mogelijk.”