Honing, vlees, knollen en poep

Interview Stephanie Schnorr Antropoloog Stephanie Schorr ondervroeg jagers in Afrika naar hun eten. Soms aten ze veel vlees. Maar altijd: knollen.

Foto Mieke Meesen

Vlees krijgt vaak de hoofdrol in verhalen over de menselijke evolutie. Een dieet van vlees zou het startsein zijn geweest voor een groeispurt van de hersenen. De jacht veranderde makke planteneters in inventieve jagers. Vlees maakte de mens, een jager.

Maar in al het gefilosofeer over vlees vergeten archeologen de knollen, bessen, vruchten en bladeren die vroege jagers-verzamelaars óók hebben gegeten. Stephanie Schnorr van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig snapt waarom. Wie vlees eet, laat bekraste botten achter. Van planten blijft bijna niets bewaard. „We weten daardoor bijna niets van plantaardig voedsel dat vroege mensen aten.”

Schnorr promoveerde dinsdag 22 maart in Leiden op de rol van planten in de menselijke evolutie. Juist omdat archeologische vondsten van planten zo zeldzaam zijn, onderzocht Schnorr de eetgewoonten van de Hadza, een modern jagers-verzamelaarsvolk uit Tanzania. Eten ze knollen rauw? Geschild? Gesneden? Geroosterd?

Schnorr nam poep en knollen van de Hadza terug naar het lab. In de poep zocht ze naar het DNA van darmbacteriën, het microbioom. En bij TNO in Zeist liet ze de knollen verteren door een maag-darmmachine, geënt met Hadza-bacteriën uit de poep.

Hoe kom je bij de Hadza terecht?

„Met een chauffeur, onderzoeksassistent en een auto vol proviand en geschenken vertrok ik vanuit Arusha in het noorden van Tanzania naar Hadza-land. Acht uur door heuvelachtig terrein, over achterwegen en dwars door de bush. Zonder machete kom je niet bij de Hadza.

„De Hadza zijn een van laatste volken die het hele jaar door van het land kunnen leven. Ze leven vooral in een smalle strook land naast het Eyasi-meer, in het hoogland. Ooit was hun territorium groter, maar de afgelopen 60 jaar krimpt het. Herders trekken steeds verder het gebied binnen.”

Hoe vraag je aan een Hadza-jager of hij een beetje poep wil afstaan?

„Voor de Hadza is stoelgang geen privézaak of om je voor te schamen, maar iets alledaags. Ik vroeg ze gewoon op de man af of ze poepmonsters wilden doneren. Meestal vonden ze dat geen probleem. Ik weet nog dat iemand zei: ‘We geven het toch ook aan de grond? Waarom geven we het dan niet aan haar?’”

Heeft Hadza-poep een andere consistentie dan westerse poep?

„Absoluut, het is steviger en ruwer. En aan de wasbolletjes in de poep kon ik goed zien dat het honingseizoen was aangebroken. Net goudklompjes.”

Eten de Hadza dan zoveel honing?

„Zeker! Over een langere periode is het Hadza-dieet misschien divers, maar van dag tot dag eten ze juist hoge concentraties van één soort voedsel. Als jagers een groot dier hebben gedood, eten ze nog dagen vlees. In het honingseizoen is het honing voor en na. En zijn de bessen rijp? Dan eten ze de hele dag bessen.”

Welke plaats hebben knollen in het Hadza-dieet?

„Knollen zijn belangrijk, omdat ze het hele jaar door beschikbaar zijn. Ze zitten niet bomvol zetmeel. Wel bevatten ze water, vezels en wat suikers.

„Bij de Hadza zijn het vooral vrouwen die knollen verzamelen. Ze gebruiken daarvoor een graafstok met een vuurgeharde punt. Ik heb het ook geprobeerd. Zo moeilijk! Je moet de wortellijn naar de knol volgen. Maar onder de grond schiet die wortel alle kanten op. Om één knol op te graven, graaf je meters grond af.”

Smaken die knollen een beetje?

„Ze waren niet overheerlijk, maar smakelijk genoeg. De smaak is een beetje zoet, sappig en aardachtig. De Hadza eten de knollen vaak rauw, soms roosteren ze ze even boven een vuur. Van de ‘ekwa-knol’ snijden ze bijvoorbeeld een klein stukje af dat ze in hun wang stoppen. Ze persen al het sap eruit en de onverteerbare vezels spugen ze uit.”

„Daar moet je rekening mee houden. Als je dat niet weet en ervan uitgaat dat de hele knol wordt gegeten, zou je de voedingswaarde overschatten. Ik vroeg me toen wel af: hoe ga ik dit nu weer simuleren in het lab?”

Hoe heb je dat gedaan?

„Met een apparaat dat de vermager heet. Daarin drukken peddels de knol fijn. Daaraan voegde ik wat amylase toe, het speekselenzym. Daarna heb ik de vezels en het pulp gescheiden, met de hand.”

„Dat goedje ging in een maag-darmmachine die in Zeist is ontwikkeld. Het is een apparaat met buisjes, pompen en klepjes dat de complete vertering simuleert. De machine voegt bijvoorbeeld op het juiste moment gal en pancreassappen toe en moet zelfs poepen. Nee, het is niet echt charmant onderzoek. Met dit apparaat kon ik meten hoeveel suiker het lichaam uit de knollen kon opnemen. Dat viel tegen. Ongeveer eenderde tot tweederde van de suikers in de knol kwam vrij.”

Zijn de darmbacteriën van de Hadza dan géén superverteerders?

„Het is nog te vroeg om dat uit te sluiten. We vonden wel bacteriën terug met het vermogen om een breed scala aan complexe suikerketens af te breken, meer dan bij Europeanen. Het is moeilijk om je complete energiebehoefte uit wilde planten te halen, en toch lukt het de Hadza. Misschien dankzij deze bacteriën.”

Toch is er al één onderzoeker, Jeff Leach, die zichzelf een Hadza-poeptransplantatie heeft gegeven.

„Leach geeft het verkeerde voorbeeld. Je kunt niets bewijzen door maar één persoon een transplantatie te geven. Daarnaast is het een onverantwoordelijk experiment. Vergis je niet, veel Hadza dragen parasieten in hun darmen.”

Zijn stunt leverde wel veel aandacht voor dit soort onderzoek.

„We kunnen mensen niet zomaar vertellen wat ze willen horen. Dat is geen wetenschap.”