Het ik en het wij in de economie

Dagloners, zo noemt president Knot van De Nederlandsche Bank de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) aan de onderkant van de flexibele arbeidsmarkt. Ze worden de ene dag ontslagen en wandelen de volgende dag als zelfstandige binnen voor dezelfde baan, maar dan zonder de sociaal-economische bescherming die zij kort tevoren nog genoten.

Het probleem met beleid voor de rond 800.000 zzp’ers is dat zij als groep worden beschouwd, maar dat in het geheel niet zijn. Met de term ‘dagloner’ zal een flink deel van hen zich terecht beledigd voelen. Zij hebben bewust gekozen voor de vrijheid, en zijn gestimuleerd met fiscale tegemoetkomingen die hen daarbij een handje helpen. De flexibele arbeidsmarkt, waar krachten telkens vloeien naar de plek waar zij het meest nodig zijn, is van groot belang voor een bloeiende economie.

Maar de dagloners zijn er inderdaad ook. Zij vervullen taken, meestal aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waar zij weinig inkomsten en ook schamele bescherming genieten. De fiscale regelingen die zij genieten worden door hun opdrachtgevers in wezen verdisconteerd in hun vergoeding, die zo lager kan uitvallen. Waardoor, één stap verder geredeneerd, in de praktijk die belastingvoordelen niet bij de zzp’er, maar bij zijn of haar opdrachtgever terechtkomen.

Knot heeft gelijk als hij stelt dat dit de samenleving voor problemen plaatst. Zeker nu de schaal waarop zzp’ers opereren zo enorm is. Zonder bescherming tegen werkloosheid of arbeidsongeschiktheid zijn zij weerloos. En op termijn zullen zij noodgedwongen toch een beroep moeten doen op de sociale noodregelingen die er zijn, zonder daaraan voldoende te hebben bijgedragen – buiten hun schuld. Zo komen de kosten van de flexibilisering van de arbeidsmarkt voor een deel terecht bij vaste werknemers.

De scheefgroei geldt andersom voor het complexere probleem van de pensioenen. Hier speelt voor vaste werknemers een generatieprobleem, waarbij jongere werknemers zich niet ten onrechte zorgen mogen maken over de vraag of zij te zijner tijd wel kunnen genieten van het stelsel dat zij nu met hun bijdragen in stand houden. Knots pleidooi om een grotere individualisering van het pensioenstelsel na te streven is het overdenken waard.

In beide gevallen gaat het om de vraag of de verhouding tussen individuele vrijheid en de veiligheid van de groep nog wel voldoende wordt weerspiegeld in onze huidige sociaal-economische arrangementen. Economie, demografie en samenleving veranderen. Een goed stelsel verandert mee.