Criticus zoekt azijnfles

Ik ben geen jood, moslim, vrouw, homo, PSV-fan, islamofoob of PvdA’er, dus vaak komt het niet voor dat ik onderdeel ben van een groep die collectief in de hoek wordt gezet. Vandaar dat ik vond dat ik gewoon mijn mond moest houden toen journalist Frénk van der Linden de Nederlandse critici uitmaakte voor een ‘parasitaire mensensoort’ in de Volkskrant. Waarna boekhandelaar Gerda Aukes meteen de verdelging op zich leek te willen nemen: ‘Het is zonde van de tijd en ruimte dat kranten nog steeds negatieve recensies publiceren.’ Het land had volgens haar behoefte aan een Nicolaas Klei (de geweldige wijntipgever) voor boeken. Van der Linden: ‘Bij critici zit de azijnfles nokkie vol.’

Die pak ik er toch maar even bij: ik denk niet dat Frénk van der Linden, de man die zichzelf 114 maal in beeld bracht in een documentaire die volgens de tv-gids over Ahmed Aboutaleb zou gaan, een boekenbijlage heeft gelezen na 1 september 2006. Toen werd zijn eerste en voorlopig enige roman negatief besproken (‘Zo blijkt De steniging geen roman met een sociologische inzet, maar een psychologische. Maar juist psychologisch is er weinig te beleven aan de roman.’)

Wat hij zegt, is flauwekul. Ik heb de NRC-bijlagen van 2016 er even bijgepakt: 13 boeken kregen twee waarderingsballen, 21 werden beoordeeld als ‘goed’ en liefst 45 kregen vier of vijf ballen. Samen 66. Ergo: tegenover elke negatieve recensie in deze bijlage, staan vijf positieve. Je moet wel een echte prutser zijn om niet door die ballotage te komen.

Wat ik hierboven deed met Van der Linden (op de man spelen, dingen erbij halen die niets met de eigenlijke kwestie te maken hebben) komt in recensies amper voor. De Nederlandse criticus – een enkel stuk daargelaten – is ernstig, weloverwogen, genuanceerd en houdt rekening met zijn lezers. Dat geldt trouwens ook voor de meeste Nederlandse schrijvers.

We zijn met zijn allen eerder te braaf dan te zuur. Te braaf om duidelijk te maken dat literatuur niet alleen lekker is (als een omfietswijn) maar ook belangrijk. Dáárom moeten we het debat niet inruilen voor een tipparade. Hier raakt het kritiekdebat aan dat andere zich voortslepende columnistengesprek: over hoe de jeugd aan het lezen te krijgen/houden is. Door makkelijke of juist moeilijke boeken? Door vrijheid of door dwang? In elk geval eerder door de scherpe kantjes dan door blije aanbevelingen. Ik kreeg mijn oudste zoon aan het schateren bij Reinaert de Vos (middeleeuwse shit), toen Tibeert de kater zich vergreep aan het klokkenspel van de pastoor. Maar wat las ik gisteren in een herdrukte Reinaertbewerking van Allard Schröder? Tibeert haakt zich met zijn klauwen vast in ‘de billen’ van de pastoor. Tss, de billen! Het is een tekst voor de Donald Duck uit 1984, maar je zou Schröder om minder een pak op de broek geven. Jammer dat mijn azijnfles net leeg is.

    • Arjen Fortuin