Confrontatie

Je ziet niet elke dag een straatinterview dat een complexe maatschappelijke situatie verheldert. Ik zag het onlangs in een filmpje van NOS op 3. Het interview mondde onverwachts uit in een veelzeggende confrontatie, uitgelokt door de aanslagen in Brussel.

fritsabrahams0

We zagen eerst een allochtone jongerenwerker, Hassan Rahali, die op straat geïnterviewd werd over de oorzaken van de aanslagen. „Er zijn sociale problemen”, vertelde Rahali, „er is veel frustratie onder jongeren, zij komen daardoor op het slechte pad en daarom hebben wij vandaag die enorme problemen.” Wat te doen? Rahali: „De overheid moet toegeven dat ze heeft gefaald, de autoriteiten moeten hun verantwoordelijkheid nemen en de burgers bijstaan en niet achter de rug zitten.’’

De verslaggever zegt: „De burger moet toch ook zijn verantwoordelijkheid nemen…door meer sociale controle in de wijk.” „Absoluut”, reageert Rahali.

Op dat moment hoor je de stem van een vrouw, een passante, die nog niet in beeld is verschenen. Zij wil ook haar zegje doen en komt naast Rahali staan – een magere Vlaamse vrouw van in de vijftig. „Ik woon 25 jaar in Molenbeek”, zegt ze, „en ik ga niet helemaal akkoord. De mensen krijgen hier alle kansen. Ik heb goede buren die hun kinderen goed opvoeden, maar er zijn ook veel buren die hun kinderen verwaarlozen. En er zijn hier goede scholen, maar ook verwaarloosde. Het is veel te gemakkelijk om alles aan de autoriteiten te wijten, de mensen die hier wonen kunnen hun eigen verantwoordelijkheid nemen.’’

„Absoluut”, zegt Rahali weer, waardoor het meer klinkt als een stopwoord dan als bijval.

„Want het is niet gemakkelijk om hier te wonen’’, zegt de vrouw, „ik ben tolerant, maar heel intolerant geworden….het feit dat kinderen met stenen naar de politie gooien…’’

„Dat zeg ik ook….”, zegt Rahali.

„Een collega van mij is waarschijnlijk vandaag omgekomen’’, zegt de vrouw.

„Mijn schoonmoeder was in de metro nog net op tijd weg”, zegt Rahali, „we zijn allemaal slachtoffers. Sorry, mevrouw, we zijn één gemeenschap, niet steeds ‘wij en ‘zij’ zeggen…we hebben één strijd tegen de terroristen.”

„Daar heeft u gelijk in’’, zegt de vrouw. Ze zegt het weinig overtuigd, alsof ze hem tegen beter weten in tegemoet wil komen.

„Geef me een hand, kom hier”, zegt Rahali en hij geeft de vrouw een knuffel. Hij blijft druk praten, de vrouw komt er niet meer tussen, ze heeft er ook niet veel behoefte meer aan. Ten slotte gaan ze ongemakkelijk lachend uiteen.

De hele multiculturele kloof in een notendop: de goedwillende, bevlogen allochtoon tegenover de evenzeer goedwillende, maar teleurgestelde autochtoon, die niet meer de tolerantie van weleer kon opbrengen; er waren doden gevallen, het was te erg geworden. Hij legde de verantwoordelijkheid voor een en ander bij de overheid, zij vond dat ‘zij’ beter op ‘hun’ kinderen moesten letten.

Rahali wist zich met zijn charme uit de situatie te redden, maar het leek niet tot hem door te dringen dat de Nederlandse interviewer en de Brusselse vrouw hem probeerden duidelijk te maken dat er iets aan zijn analyse ontbrak. Hij schoof een ingewikkeld probleem op het bordje van de overheid, alsof daarmee alles gezegd was. Jammer – ik hoop niet dat hij zijn jongeren hetzelfde signaal geeft.

Frits abrahams