Ach god, dood

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.

Op het trottoir lag een ingedeukte vogel. Een stelletje hield de pas in. „Ach god, dood. Wat is het?”, vroeg de vrouw. Haar vriend wist het antwoord niet. Ik liep net langs, richting het beste Chinese restaurant in het centrum van de stad.

Het beest was te groot voor een spreeuw, te klein voor een eend. Heel even dacht ik aan een patrijs. Maar hoe kwam een patrijs van een akker op stoeptegels terecht in hartje Rotterdam?

Neergeschoten? Aangereden?

De dode vogel bleef alleen achter op straat.

Nog geen uur later zette ik mijn tanden in de Golden Duck of China – nummer 47 – geroosterde Pekingeend, geserveerd met de aardappel van de tropen. Heerlijk vlees, krokant vanbuiten, zacht vanbinnen.

Het was de dag voor Pasen. Ik zou ook kunnen schrijven; het was een paar dagen na de dood van Johan Cruijff. Op televisie stopte bij stadion Camp Nou in Barcelona een man in een scootmobiel. Hij keek naar een foto van Cruijff, die met een bruine voetbal naar de lens lachte.

Nummer 14 leek los te komen van zijn afdruk. Het was bijna onmogelijk om hem dood voor te stellen. Vanuit stilstand schoot het ranke lijf steeds weer in een flits voorbij, met de bal aan de voet.

Van de familie Cruijff kregen we een intiem bericht: Johan was al gecremeerd. In de traditie van de versnellende Cruijff hadden we allemaal het nakijken. Hij was niet te vroeg, niet te laat, maar weer precies op tijd vertrokken.

In de traditie van de versnellende Cruijff hadden we allemaal het nakijken

Toen kwam Tweede Paasdag. De klok was een uur versprongen, het lichaam wilde nog niet helemaal mee in het nieuwe ritme en op de plank in de keuken lag het restant van het paasbrood er verloren bij.

Ik zette de televisie aan en hoorde dat de wielrenner Antoine Demoitié was overleden. Hij was tijdens de semiklassieker Gent-Wevelgem aangereden door een motorrijder nadat hij zelf was gevallen. Er was geen foto en ik hoefde het ook niet.

Wielerdoden lijken op elkaar.

Bruut van de fiets gesleurd; geknakt, in een vreemde houding.

Een wielrenner hoort niet roerloos te blijven liggen op een doorgaande weg; asfalt is gemaakt voor het rubber van wielen, niet voor de opperhuid van de mens.

„Verschrikkelijk om zo wakker te worden”, meldden renners uit het profpeloton. Ze zagen zichzelf liggen. Boos over de ongelijke strijd tussen motor en fiets. Het probleem van het verschrikkelijke wakker worden is dat je – met je laagste hartslag – weet dat je moet opstaan.

Wachten op je einde heeft geen zin.

Ik dacht aan de patrijs, Cruijff en de wielrenner en ging eens flink inzetten op het leven. Dat verdiende de dood wel een beetje.