“Waarom mochten zij wel lopen en wij niet?”

Het is kort voor drieën ‘s middags als zo’n 450 voetbalhooligans de herdenking van slachtoffers van de aanslagen in Brussel bruut verstoren.

De rechtse betogers op het Beursplein in Brussel. Foto Yves Herman / Reuters

Het begint met eenzame schreeuw in de verte. Dan verschijnen boven de hoofden van de tot dan toe zwijgende menigte op het Brusselse Beursplein de eerste gebalde vuisten. Sommigen gestoken in zwartleren handschoenen, anderen een blik bier omklemmend. Gescandeer, steeds luider. Gepijnigd kijkt de Marokkaans-Belgische Najat Bouasra (32) vanaf de trappen van de Beurs naar de naderende massa. Haar armen stevig over elkaar geklemd. “Ik blijf hier”, zegt ze tegen niemand in het bijzonder.

Het is kort voor drieën ‘s middags als zo’n 450 voetbalhooligans de herdenking van slachtoffers van de aanslagen in Brussel bruut verstoren. Waar even daarvoor nog honderden wildvreemden elkaars hand in de lucht hielden ten teken dat zij samen één zijn, dat Brussel zich niet laat verdelen, ontstaat plots een front. Er wordt geduwd, getrokken. Omstanders proberen te voorkomen dat de in zwart gestoken mannen de plek naderen waar een zee van bloemen en kaarsjes is ontstaan. Met als gevolg dat mensen over de herdenkingsplaats heen vallen.

Vanaf de trappen kijken mensen het tafereel met afschuw aan. Een meisje valt haar vriend huilend in de armen. Een vader grijpt zijn twee kinderen bij de mouw en sleurt hen mee naar beneden. Wegwezen. “We zijn hier verdomme om solidariteit te tonen”, foetert een man.

Mars tegen de Angst

Eigenlijk zou er deze zondag een “Mars tegen de Angst” plaatsvinden. Te beginnen op het Beursplein, dat sinds de aanslagen van afgelopen dinsdag voor de Brusselaren is geworden wat de Place de la Republique voor de Parijzenaars was; een plek om troost bij elkaar te vinden en steun te betuigen aan de slachtoffers. Maar na een dringende oproep van de Belgische minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon en de Brusselse burgemeester Yvan Mayeur werd de mars zaterdagmiddag officieel afgelast. De politie was elders nodig, zo klonk het.

Dat het dan toch zo uit de hand heeft kunnen lopen, is op zijn zachtst gezegd pijnlijk. De vraag die blijft hangen als ordetroepen met behulp van waterkanonnen na zo’n drie kwartier de hooligans van het plein hebben verdreven, is hoe het zover heeft kunnen komen.

Tegen de Belgische krant De Morgen zei de burgemeester van Vilvoorde, Hans Bonte, achteraf dat het extreemrechtse voetbalhooligans betrof van “verschillende voetbalclubs uit de eerste klasse”. Via de sociale media vernam de politie van Vilvoorde van hun plannen zich te mengen in de herdenkingsbijeenkomst. Even had hij overwogen hen tegen te houden, zei Bonte tegen De Morgen. “Maar dat zou tot te veel frustraties hebben geleid.” Dus liet hij hen “onder begeleiding van de politie uit Vilvoorde en in coördinatie met de Brusselse collega’s” in twee groepen per trein naar Brussel-Noord reizen, vanaf waar ze naar het Beursplein liepen. Maar ook Bonte wist:

“Het ging ze duidelijk om een provocatie.”

‘Dit doet pijn’

Hoewel de toegang tot het Beursplein van verschillende kanten was afgezet door legertrucks, konden de hooligans vanaf de Boulevard Anspach zonder al te veel moeite doorlopen. Waarom?, vragen de mensen die ondanks het dringende verzoek van Jambon en Mayeur toch naar Beursplein kwamen voor de herdenking zich hardop af. Zij moesten hun mars toch ook annuleren? Ook als de veelal jonge mannen - capuchon over het hoofd, sjaal voor de mond – zich met tientallen tegelijk een weg de trappen op beuken om daar (in de woorden van politiewoordvoerder Christian De Coninck) “fascistische groeten” uit te brengen, grijpt de politie niet meteen in. Pas na tien minuten verschijnen de eerste ordetroepen. Uiteindelijk worden een tiental mensen opgepakt, melden Belgische media.

“Ik hoop dat u trots bent op uzelf”, bijt Brusselaar Benoit (41) een agent toe wanneer de rust op het plein enigszins is wedergekeerd. “Dit is precies wat er mis is met dit land”, vervolgt hij, wild met zijn armen zwaaiend. “De politie doet niets, ze wachten tot het laat is.”

Even verderop staat Najat Bouasra, haar handen diep in de zakken van haar gebreide vest gestoken. Toen blikjes bier door de lucht begonnen te vliegen, verruilde ze de trappen toch maar voor een ‘veilige’ plek aan de zijkant van het plein. Maar nog altijd diezelfde gepijnigde blik. Al vier dagen komt ze vanuit Molenbeek naar de Beurs. Om uit te leggen dat de terreur die haar stad deze week trof, dat dat géén Islam is. Dat ook zij terrorisme afkeurt, verafschuwt. Dat het belangrijk is om solidair te zijn, zeker nu. En dan dit. Ze schudt haar hoofd. “Dit doet pijn.”