Wie voorkomt dat de rechter klappen krijgt?

‘Hoe God (bijna) verdween uit Nederland’, zo vatte de NOS onlangs een onderzoek samen naar het religieuze gevoelsleven onder Nederlanders. Met als nieuw feitje dat de Nederlander zich ook minder ‘spiritueel’ voelt. Behalve voor God neemt de belangstelling dus ook af voor Zen, Tao, Steiner, Boeddha, en andere brengers van rust en evenwicht. Zou dat mede de groeiende druk op het strafrecht verklaren? Of is dat het postmoderne ik-tijdperk waarin het eigen lot vanzelf de maat der dingen is?

Onlangs hoorde ik in de marge van een bijeenkomst van strafrechters dat er bij de uitspraak steeds vaker emotionele incidenten voorkomen. Als mogelijke oorzaak ziet men de oplopende verwachtingen van het strafproces. Dat wordt mede veroorzaakt, zo is de indruk, door het Openbaar Ministerie dat op wens van de politiek zich meer als belangenbehartiger van het individu opstelt.

Officieren bespreken voor de zitting met slachtoffers de zaak en leggen vaak uit welke eis hen passend voorkomt. Dat wekt verwachtingen over de uitkomst. Het strafproces wordt aldus steeds meer een transactie tussen individuen. En veel minder een maatschappelijk ritueel waarin collectieve belangen als rechtsorde, preventie en rechtvaardigheid domineren.

In veel strafprocessen treden slachtofferadvocaten op die de materiële en immateriële schade onderbouwen. Het slachtoffer zelf mag op zitting uitleggen hoe het misdrijf het eigen leven veranderde. Dat maakt zaken heftiger en persoonlijker. Media nemen de emotionele termen van de slachtoffers over. In de zaak van de monstertruckchauffeur (drie doden, 24 zwaargewonden) sprak het NOS journaal over slachtoffers „wier leven totaal verwoest is”. Dat komt in de buurt van het bekende zinnetje ‘Wij hebben levenslang, maar hij...’ – vul maar in – komt er af met een paar jaar, een werkstraf, een boete. Al die gevoelens culmineren in de eis van het OM: het eerste vergeldingsbod.

Op dat emotionele slagveld blijft de strafrechter tamelijk eenzaam achter. Hij of zij gedraagt zich zo neutraal mogelijk, om het verwijt van vooringenomenheid en dus wraking te voorkomen. Meer dan een enkele sceptische vraag permitteert de rechter zich meestal niet. Een ‘lagere’ uitspraak wordt door slachtoffers behalve als een teleurstelling vaak ook als een belediging opgevat – als ‘respectloos’. In 2014 vloog er al een stoel door een zittingszaal toen een Poolse automobilist een werkstraf van 120 uur kreeg voor het doodrijden van twee grootouders met hun kleinkind. (In hoger beroep werd het 15 maanden cel).

Dergelijke incidenten komen dus vaker voor. Onlangs vernielde een toeschouwer een van de computerschermen in een nieuwe digitale rechtszaal van een grote rechtbank. Strafrechters maken zich nu zorgen over hun beveiliging; parketwachten zijn niet standaard aanwezig. Vooral in kleinere rechtszalen ontbreekt een vluchtweg voor rechters. Hoe kan worden voorkomen dat de rechter straks klappen krijgt, als de ‘klant’ ontevreden is? Wie legt uit dat strafrecht feilbaar is, zaken onbevredigend kunnen aflopen, bewijzen niet helemaal sluiten, de toedracht te onduidelijk blijft, sporen in meer richtingen wijzen, het verhaal van de verdachte niet onaannemelijk is en de zaak dus geen forse straf rechtvaardigt? Strafrecht is geen vergeldingsmachine. Een goede advocaat legt dat uit, net als een verstandige officier. Maar de rechter worstelt ermee.

In de publieke ruimte moedigen media intussen de emoties aan en matigen de verwachtingen nooit. De redelijkheid van een eis wordt nooit besproken. De berichtgeving is lineair: de verdachte is de dader en verdient een zo hoog mogelijke straf. Want dat wil de kijker. Politiek zijn slachtoffers een populaire doelgroep. Terughoudende rechtspraak wordt nooit geprezen. Hogere strafmaxima vormen de goedkoopste politieke belofte, bij wat dan ook. Heeft de moderne burger nog het geestelijk evenwicht om leed te incasseren, als pech? Iets meer Zen zou toch beter zijn, zeker voor wie meent dat zijn leven ‘volledig verwoest’ is.