Verweesde voetbalnatie

Het wordt kil nu de meest vooraanstaande voetbalpersoonlijkheid overleden is. Aan wie trekken we ons op? Wie helpt ons herinneren dat we ooit de beste waren? Met Cruijff sterft de verbeelding.

Johan Cruijff bij zijn afscheidswedstrijd tegen Bayern München, in het Olypisch Stadion in november 1978.

Het Nederlands voetbal is zijn belangrijkste stem verloren, een gedachte waaraan moeilijk te wennen is. De man naar wie lang gekeken werd voor oplossingen, voor richting, zwijgt voor de eeuwigheid. Johan Cruijff, die elke maandag via De Telegraaf zijn wereldje de maat nam, laat een stilte achter die onwerkelijk aandoet. Voorbij is dat voortdurende gepraat, dat eenrichtingverkeer van zenden – zonder duidelijke ontvanger. Hij sprak altijd, als een constante in het voetbal.

De dood van Cruijff maakt van Nederland een verweesde voetbalnatie. We moeten verder zonder Johan, veel te vroeg gestorven. Hij laat een gemeenschap van voetbalmensen achter die, zoekend naar een antwoord op de groeiende achterstand in internationaal verband, het allemaal ook niet weten. En nu kan niemand meer geraakt worden door zijn aanwezigheid, opgetild worden door zijn woorden, geïnspireerd door zijn geestdrift. Het perspectief bij Cruijffs verscheiden is somber voor het Nederlands voetbal. Hij was uniek, wij zijn dat niet meer.

Natuurlijk werd minder en minder naar hem geluisterd, maar dat is wat anders dan dat het nu vanuit Barcelona – waar het orakel niet meer orakelt – helemaal stil wordt. In praktische zin zijn er weinig consequenties: vlak voor zijn dood had hij zijn handen al afgetrokken van Ajax, met het beleid van de KNVB had hij al jaren geen bemoeienis. Hij was weer raadgever in meest ongelieerde vorm: zijn boodschap verkondigde hij – selectief – via columns, via interviews, via gesprekken met al die mensen die hij geraakt en gemaakt heeft in de loop der decennia.

Onweerstaanbare Cruijff

Cruijff, voor zijn ziekte, bezat de gave om mensen te doen geloven dat een terugkeer naar de Europese top met Ajax mogelijk is. Zijn aanval op de Ajax-directie in 2010 ging onder de bannier van de belofte dat de club beter zou worden door anders, individueler te trainen. Met oud-voetballers in de directie van de club. Het was het onweerstaanbare plan-Cruijff, gepusht door bevriende media die het volle gewicht van zijn icoon-zijn inzetten.

Asociaal wellicht, maar wat zou het? Het alternatief, het hoofd neerleggen in afwachting van achteruitgang, was oneindig onaantrekkelijker voor Ajax. Cruijffs revolutie mag mislukt zijn, of zijn doel voorbijgeschoten zijn, maar de ambitie die er vanaf straalde zal gemist worden. Die belofte die het project in zich droeg, die durf en verbeeldingskracht om alleen al te denken dat Ajax weer naar de Europese top gestuwd kon worden. „Iedereen zegt van niet, ik zeg van wel.”

Het wordt schraal, kil nu de meest vooraanstaande voetbalpersoonlijkheid dood is. Aan wie trekken we ons op, zonder Cruijff? Nu de trend ontegenzeggelijk neerwaarts is – van een EK met 24 landen zonder Nederland deze zomer tot het mogelijk verliezen van directe kwalificatie voor de Champions League – ontvalt ons ook nog het icoon dat voortdurend appelleerde aan dat gevoel dat wij ooit de beste waren. Wie herinnert ons nu nog dat we dat nog steeds kunnen zijn?

Hij deed het gewoon: Ajax op zijn kop zetten. Cruijff, maat der dingen in de Nederlandse voetbalsport, initieerde, filosofeerde, kritiseerde en tackelde hypocrisie. Zijn voetbalinhoudelijke boodschap was een ongekanaliseerde gedachtenstroom over aanvallend en aantrekkelijk voetbal, balbezit en technische meesterschap. Maar hij beet zich – bij Ajax – stuk op organisatie en structuur. „Dat is het tragische”, zei oud-ploegmaat Jan Mulder ooit in gesprek met Ischa Meijer. „Iedereen wil iets dat ie niet kan, zelfs Cruijff.”

Het ware woord

Cruijff vertelde ten tijde van zijn coup bij Ajax dat er „een generatie goedopgeleide oud-voetballers” klaar staat om belangrijke bestuurfuncties te bekleden. Bij Ajax, maar overal in het Nederlands voetbal. Wim Jonk, Marc Overmars, Edwin van der Sar maar ook de als technisch directeur van Ajax verstoten Danny Blind, nu bondscoach. Ze maken carrière, maar hun zeggingskracht was als speler al gering. Topspelers, verder doorsnee. Niemand heeft de mentale spankracht van Cruijff. Laat staan de brille. Bij Ajax ontketende zich onderling een bittere strijd om wie het ware woord van Cruijff sprak.

Cruijff is onvervangbaar. Marco van Basten, zich stukgebeten op het trainerschap, ontpopt zich langzaam tot nieuwe stem der voetbalnatie via zijn VI-columns. Maar Van Basten, een complex wezen, inspireert niet. Analytischer, cynischer, realistischer dan de altijd optimistische Cruijff. Clarence Seedorf? Volop soortelijk gewicht en charisma, maar toonde zich nog weinig bemoeierig met het voetbal in de polder. Kan nog komen. Ruud Gullit? Showman, weinig verbeten.

Cruijff was altijd maar – niet uitsluitend – met dat voetbal bezig. Hij geloofde tot zijn laatste adem in de kracht en het niveau van jeugdopleiding. Maakbaar en trainbaar, in de geest van Jany van der Veen, ooit hoofd opleiding bij Ajax toen Cruijff nog een jongen was. In zijn ogen was er niet heel veel veranderd aan de basisbeginselen van de sport. Sterker, in de toegenomen snelheid zag hij zijn verhaal over techniek alleen maar bevestigd. Hij verschool zich niet achter enorme begrotingsverschillen – hij weigerde dat gewoon. „Ik heb een zak geld nooit een goal zien maken”, bestond hij het te zeggen.

Want natuurlijk gaat Nederland gebukt onder toenemende financiële ongelijkheid. De gevolgen zijn dramatisch. Zonder internationaal aansprekend clubsucces is de weg van spelers en vooral trainers naar de ‘eliteclubs’ onoverbrugbaar. Rinus Michels, Guus Hiddink en Louis van Gaal lanceerden hun internationale carrières pas na ontzagwekkende prestaties met Nederlandse clubs. Dat gaat bijna niet meer. Het maakt de ‘topjobs’ onbereikbaar voor Frank de Boer, Ronald Koeman, Phillip Cocu. En boegbeeld, verheffer van een voetbalnatie, word je pas als coach met internationale reputatie. „Spelers moeten je als idool zien”, zei Cruijff.

Bloedstollende blik

Pep Guardiola, alom gezien als belangrijkste hedendaagse voetbalvernieuwer, heeft grenzeloze bewondering voor Cruijff. Hij nam veel over van zijn leermeester, maar niet alles. Cruijff schold op een dag twee spelers in het Dream Team van Barcelona uit en vroeg ze een uur later samen met hun partners mee uit eten. „Dat kan ik niet”, aldus Guardiola in het boek Another Way of Winning. „Cruijff was de coach die me het meest liet lijden: met één blik deed hij je bloed stollen.”

Cruijff had het allemaal. Charisma, hardheid, zachtheid, status, vindingrijkheid. „Cruijff is in zijn eentje het hele Nederlandse voetbal”, zei Jan Mulder. Door te zijn wie hij was, bepaalde Cruijff het denken over voetbal. De dominante voetbalcultuur in Nederland vormde zich naar zijn dimensies. Onze oervoetballer was tenger, razendsnel, had een grote mond en was technisch volmaakt. Andere deugden – fysiek, conditie, opoffering, defensieve doortastendheid – waren secundair en dat leidt vandaag de dag, nu we zoekende zijn, tot het stroeve en deels semantische debat over de houdbaarheid van de ‘Hollandse School’.

Is dat Cruijff aan te rekenen? Hij hield zich, getuige de Ajax-coup, in ieder geval niet afzijdig in wat zijn laatste jaren zouden worden. Maar, vonden critici, te lang was hij een te sterke, conservatieve kracht. „Het denken stopt als Cruijff praat”, zei inspanningfysioloog en ‘trainerstrainer’ Raymond Verheijen toen hij op het Nationaal Voetbalsymposium eind 2014 Cruijff confronteerde met in zijn ogen te gebrekkige analyses. Verheijen, toen: „Wat Cruijff zegt is bepalend voor zo’n hele dag, zo invloedrijk als hij is.”

Nu spreekt Cruijff niet meer. Er komt een autobiografie, maar zijn stem, zijn alomtegenwoordigheid, is verleden tijd. Het vacuüm zal zich vullen. Met beleid uit Zeist, met modieuze datamodellen, andere accenten? Ajax zal wellicht wat van zijn oude status herwinnen – maar waarschijnlijk niet. Want wie gelóóft nog, zoals Cruijff deed, dat het beter kan? Met hem sterft ook de verbeelding.