Veilig Europa is nu houtje-touwtje werk

Om Europa veiliger te maken, moeten de lidstaten soevereiniteit inleveren. Dat vereist een begin van een politieke unie, stelt Piet van Reenen.

Crises hebben één voordeel: ze slechten barrières voor verandering. En dat helpt aanzienlijk bij de verandering van politie en inlichtingendiensten. Daar is de weerstand tegen verandering immers altijd groot.

Zo begon de politie in België pas aan een grote herordening na de terreur van de bende van Nijvel en de affaire-Dutroux. In Nederland was de aanleiding niet zo dramatisch, maar ook hier had de komst van een nationale politie veel politieke en bestuurlijke voeten in de aarde.

De belangrijkste oorzaak is dat er zoveel gevestigde machten belang hebben bij de politie. In België en Nederland bijvoorbeeld, hebben de gemeenten en hun burgemeesters zich altijd verzet tegen de centralisatie van de politie. Daarom hebben burgemeesters in België een sterke positie in het politiebestel. Daarnaast opereren inlichtingendiensten onvermijdelijk in het geheim – afscherming is hun tweede natuur.

De weerstand bij zowel politie- als inlichtingendiensten is hardnekkig; ze zijn attributen van de staat en van haar soevereiniteit. De politie beheert (gedeeltelijk) het monopolie op legitiem fysiek geweld; de inlichtingendiensten hebben het alleenrecht op het heimelijk vergaren van politieke inlichtingen.

Binnen Europa is samenwerking tussen politiediensten altijd een heikel punt geweest – juist omdat het ging om de soevereiniteit van de lidstaten. Niet voor niets waren politie en justitie tot 2009 in de zogenoemde ‘derde pijler’ van de Europese Unie ondergebracht – en binnen die derde pijler had iedere lidstaat vetorecht. Niet voor niets ook heeft Europol geen bevoegdheid om op te treden. Vanuit dat perspectief is het ook logisch dat Frontex geen zelfstandige bevoegdheid heeft om grenscontroles uit te oefenen.

Er is geen Europees gezag over die diensten.

Niemand hoeft dus verbaasd te zijn over het feit dat, als een van de lidstaten zijn grenscontrole niet op orde heeft, dat manco op Europees niveau niet wordt opgelost. Dat mechanisme bestaat eenvoudig niet. Net zo min hoeft iemand verbaasd te zijn over de traagheid en de moeite van opsporingsonderzoeken over de grenzen van de lidstaten heen.

Er zijn nog twee redenen waarom inlichtingendiensten terughoudend zijn met het uitwisselen van informatie. Ten eerste geldt ‘kennis is macht’. Ten tweede geldt het principe van de wederkerigheid, oftewel ‘voor wat hoort wat’.

Binnen het Eurosceptische universum kunnen de buitengrenzen van een lidstaat gebreken vertonen, waaraan andere lidstaten vervolgens niets kunnen doen.

Ook de moeizame samenwerking inzake internationale opsporingsonderzoeken hoeft niet te verbazen. En dat het in de informatie-uitwisseling niet goed gaat, dat ligt in de orde der dingen.

Sterker nog, ook binnen de lidstaten zelf kampen opsporingsdiensten en inlichtingendiensten met hinderlijke competentie-, afstemmings- en uitwisselingsproblemen. Voor elk van de lidstaten kunnen soms pijnlijke voorbeelden daarvan worden opgediend. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, NCTV, is opgericht om die fricties in Nederland binnen de perken te houden.

EU kampt met twee veiligheidscrises
Er is nu, vanuit het perspectief van veiligheid, sprake van een dubbele crisis op Europees niveau. De ene crisis behelst de opvang van vluchtelingen en migranten – de bewaking van de buitengrenzen van Europa hangt daarmee samen. De andere crisis behelst het terrorisme – het voorkomen van aanslagen en het opsporen van de daders.

Die crises leggen de beperkingen en de tekortkomingen van het veiligheidssysteem binnen Europa steeds pijnlijker bloot. Eigenlijk laten ze zien dat zo’n systeem er niet is. Hooguit zijn er enkele houwtje-touwtje-oplossingen, want de noodzakelijke aanpak mag het uitgangspunt van soevereiniteit nu eenmaal niet aantasten.

Daar lopen we nu hard tegenaan. Zo hard dat we dicht bij een kruispunt staan. Of een ieder trekt zich terug achter de landsgrenzen van zijn lidstaat, waar de opsporing op nationale schaal wordt georganiseerd. Of we intensiveren de Europese samenwerking. En dan is de vraag naar de overdracht van bevoegdheden en dus van soevereiniteit aan de orde. Die aanpak vereist een begin van een politieke unie.

Zijn twee crises voldoende voor zo’n grote stap, of blijft het bij verbale solidariteitsbetuigingen van regeringsleiders? Dat is nu de vraag. Is dat eerste niet het geval, dan vrees ik dat we in de huidige situatie blijven.

De opmerking van de EU-commissaris van migratie en terreurbestrijding onlangs, dat de EU-landen te weinig hebben geleerd van Parijs, stemt niet vrolijk. Dat geldt ook voor zijn voortgangsrapportage van november 2015, er wordt voortgang geboekt, maar het is onveranderlijk moeizaam.

Lukt de formalisering van de samenwerking niet, dan zal de druk op informele coördinatie en informatie (uitwisselingsnetwerken voor politiesamenwerking en inlichtingenuitwisseling) toenemen. Dat kan, bijvoorbeeld via politieliaisons. En ook Interpol is een samenwerkingsverband op vrijwillige basis dat geen bevoegdheden kent. En daar zit dus tegelijkertijd het probleem: geen verplichting, geen opsporingsbevoegdheid en geen mandaat om het optreden te dirigeren.

Maar je kunt niet roepen dat je tegen de EU bent en tegelijkertijd verwachten dat er een adequate bescherming tegen terrorisme en massa-immigratie wordt geboden.