Column

Provo

De interland van Oranje tegen Frankrijk was al gedegradeerd tot een hysterisch intermezzo van amateurs, met de dood van Johan Cruijff eroverheen werd de Arena een trog van vergeefse nostalgie. Niet één speler van het Nederlands elftal kon in de schaduw staan van de maestro.

De dag van de crematie van Nederlands meest onsterfelijke kunstenaar had een dag zonder voetbal moeten blijven. En als dat niet kan, laat dan een wereldelftal spelen tegen een selectie van Ajax en Feyenoord, maar kom niet aandraven met ene Letschert of Pröpper. Op Memphis en Van Aanholt zit de nagedachtenis van Cruijff ook niet te wachten. Eigenlijk kon de hele selectie van Oranje niet eens een kruimel eer bewijzen aan de aflijvige. Het was als een dorpsfanfare die je Bach laat spelen.

Nog op de avond van zijn overlijden weerklonk de roep om de Arena om te dopen in het Johan Cruijff Stadion. Het heette een elementaire Wiedergutmachung. Ik ben niet zeker dat de Verlosser er ook zo over dacht. Voor hem was Nederland met alles te laat. Te laat in de aanbieding bondscoach te worden, te laat in de creatie van een topsportklimaat, te laat in de liefde voor hem, nationale held. Cruijff had bij leven en welzijn geen eensgezinde publieke opinie achter zich. Hij werd door velen gezien als een onruststoker en destructuralist die de slapende voetbalelite alleen wou ontwrichten. De laatste jaren was zijn aura al een beetje vergeten en begraven. Zijn fluwelen revolutie bij Ajax kreeg niet de grandeur van een staatsman mee.

Dat sloeg om in de eerste uren na zijn overlijden. Ineens werd een stortvloed van liefde en adoratie over hem uitgestort. Op tv-zenders werd hij gefêteerd als rolmodel voor de hele samenleving. Rebel waar het moest, romanticus waar het kon, ook nog maatschappelijk verbonden in goedertierenheid.

Vergeten waren zijn karakteriële rellerigheid en aandrang voor de casuïstiek van het bloed. Hij werd unverfroren uitgeroepen tot symbool van Nederlandse eenheid. Tot nationaal houvast van trots en glorie. Incarnatie van de VOC-mentaliteit, zelfs.

Niet eerder werd de hunkering van Nederland naar een aan de aarde ontstegen held zo dramatisch ontbloot als in de uren na de dood van Johan Cruijff. De treurnis om de geadoreerde grensde aan religie. Aan bijgeloof, zelfs. Het zou de halfgod deugd hebben gedaan als hij het nog had mogen meemaken. Want ik denk dat Johan Cruijff al met al tijden van eenzaamheid heeft gekend. De eenzaamheid van een visionair die herleid werd tot cabaretesk taalgebruik, om niet te zeggen tot stripfiguur.

In de gesprekken die ik met hem mocht voeren, merkte ik altijd dat hij gekrenkt was door een gebrek aan serieux dat hem werd toegedicht. De genius afgewezen als zonderling – die pijn.

Als enige van zijn generatie heeft Johan Cruijff de verbeelding aan de macht gebracht. Zowaar ook nog zonder concessies. Hij is een dichter gebleven die hardop moet gelezen worden. Wat heet, het straatjoch uit Betondorp is wellicht de grootste romanticus die Nederland heeft gekend. Tegen alle casinokapitalisme in bleef hij de luxueuze zwerver in de zestien die grilligheid en onberekenbaarheid verhief tot schoonheid. Geen speler heeft de romantiek van vrijheid zo uitgeput als Johan Cruijff. Je zou dus kunnen zeggen dat deze week de grootste provo uit de Nederlandse geschiedenis is gestorven.

Alleen die gedachte maakt het afscheid van de virtuoos draaglijk. Dat een vrije geest niet gestorven is aan vrijheid, maar aan een fysieke kortsluiting. Laat die naam van de Arena maar en verhef JC tot monumentaal vrijheidsbeeld.