Nieuwe films, oude clichés

Films bepalen in hoge mate het beeld van de geschiedenis bij het grote publiek, zeker nu de historische spektakelfilm helemaal terug is. Die historiefilms zijn zelden waarheidsgetrouw, steeds vaker nationalistisch en in het ergste geval vol oude vijandsbeelden.

Een bezoek aan de bioscoop kan voor een historicus een hele beproeving zijn. Foute uniformen, ontbrekende personages en anachronistische uitspraken: in sommige op de geschiedenis gebaseerde films is het met de feiten slecht gesteld. Maar terwijl de kenner knarsetandt, loopt de gewone bezoeker aan het eind van de avond naar buiten en denkt: weer wat geleerd.

Peter Rietbergen, emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, publiceerde onlangs met Clio’s stiefzusters: Verledenverbeeldingen voorbij de geschiedwetenschap een boek over dit fenomeen. Terwijl historici met behulp van de wetenschappelijke methode proberen consensus te bereiken over wat ‘het’ verleden is, wordt het beeld dat het grote publiek van vroeger heeft bepaald door schrijvers en filmmakers. Steven Spielbergs film Schindler’s List (1993) over de holocaust is bekender dan het wetenschappelijke standaardwerk van Saul Friedländer hierover.

Rietbergen beschrijft in zijn boek een breed scala aan niet-wetenschappelijke verbeeldingen van het verleden: van opera’s over Aztekenkoning Montezuma tot computerspelletjes over de Tweede Wereldoorlog. Gewoon een avondje genieten van een film of een boek was er de afgelopen jaren voor hem niet bij. „Als ik naar de bioscoop ga, heb ik altijd een opschrijfboekje bij me. En de marges van historische romans die ik lees, staan vol met aantekeningen.”

Sinds de zeventiende eeuw wordt alle op de historie gebaseerde fictie om dezelfde reden gemaakt, zegt Rietbergen: „ter lering ende vermaak”. De vermaakscomponent heeft daarbij meestal de overhand. „Er moet immers geld worden verdiend.”

Dat schrijvers en filmmakers daarbij wel eens een potje maken van de geschiedenis, hoeft niet atijd een probleem te zijn. Maar soms kan het wel degelijk kwalijke gevolgen hebben, vindt Rietbergen, mede omdat veel mensen zelf onvoldoende parate kennis hebben. „We hebben het geschiedenisonderwijs laten verloederen door er te weinig tijd aan te besteden. Dat heeft gezorgd voor een publiek dat minder weet dan voorgaande generaties en dat makkelijker vatbaar is voor interpretaties die op een vermakelijke manier worden gepresenteerd, terwijl ze weinig te maken hebben met het verleden zoals dat door de wetenschap is geconstrueerd. Als in dat soort films of romans traditionele vijandbeelden worden verheerlijkt en onderbouwd, kan dat gevaarlijk zijn.”

Problematisch vindt Rietbergen bijvoorbeeld de film 300 uit 2006. In deze film verbeeldt regisseur Zack Snyder de slag bij Thermopylae uit 480 voor Christus tussen de Spartanen van koning Leonidas en de Perzen van koning Xerxes I. De Grieken zien er allemaal uit als bovenmenselijke bodybuilders, terwijl hun tegenstanders duistere, decadente figuren zijn. Het clichébeeld dus van de heldhaftige westerling ten opzichte van de onbetrouwbare oosterling. „Ik werd zo moe van al die uitpuilende lijven in 300, dat ik de film heb afgezet. Tegen deze film is vanuit Iran geprotesteerd, en dat is niet onbegrijpelijk. Dit was een verbeelding van traditionele, maar niet wetenschappelijk onderbouwde tegenstellingen. Dat versterkt die gevoelens ook in de praktijk: in de politiek en op straat.”

Een meer geslaagde verbeelding van de botsing tussen oost en west vindt Rietbergen Kingdom of Heaven (2005) van Ridley Scott, een film over de eerste kruistocht. „Daar was ook kritiek op, maar Scott probeert in ieder geval te laten zien dat de kruistochten niet alleen een grote slachtpartij waren, maar dat er ook sprake was van een ontmoeting tussen culturen, van pogingen tot interreligieuze dialoog.”

Met films als Kingdom of Heaven en Gladiator (2000) heeft deze eeuw de opvallende comeback gezien van de historische spektakelfilm, zegt Rietbergen. „Na de jaren vijftig en zestig, met klassiekers als Ben Hur [1959], was er decennialang geen interesse meer voor dit genre. Maar nu worden zelfs in Nederland films gemaakt als Nova Zembla [2011] en Michiel de Ruyter [2015].”

Nova Zembla over de ontdekkingsreizigers Barentsz en Van Heemskerck, die bij hun zoektocht naar Indië voor de kust van Nova Zembla ingevroren raken, vond Rietbergen geen succes: „Te veel nodeloos melodrama, te veel nodeloze veranderingen in wat we wetenschappelijk weten van de omstandigheden van het verblijf op Nova Zembla.”

Of het verschijnen van deze films over vaderlandse geschiedenis iets te maken heeft met opkomend nationalisme als gevolg van de globalisering durft Rietbergen niet te zeggen. „Maar feit is dat dit soort films in de jaren zeventig en tachtig echt ondenkbaar waren.”

Zijn boek, zegt Rietbergen, is een pleidooi voor wetenschappers om hun voet tussen de deur te krijgen bij film- en tv-producties, als consultant. „We moeten als wetenschappelijk bedrijf snappen dat niet alles wat we willen in zo’n productie gerealiseerd kan worden, maar we moeten ook niet hooghartig achterover leunen en zeggen: laat de boeren maar dorsen. Dan blijf je in je ivoren toren. Als sommige historici dat doen, is dat geen probleem, maar het zou wel een kwalijk worden als geen enkele historicus zou proberen naar buiten te komen en met andere genres en middelen zijn kennis probeert bij een groot publiek te brengen.”

Rietbergen zelf waagde zo’n poging in 2000, toen hij onder een pseudoniem een roman publiceerde over twee Nederlanders in het Japan van de zeventiende eeuw. Hij schreef het boek tegelijk met een wetenschappelijk werk over de relatie tussen de twee landen. Overdag was hij historicus, ’s avonds romancier. „Ik realiseerde me dat ik met mijn wetenschappelijke boek geen duizenden lezers zou bereiken, maar vooral mijn vakgenoten. Met de roman Dood op Deshima wilde ik een poging doen ook mensen buiten mijn vakgebied te laten kennismaken met dit fascinerende onderwerp.”

Op dit moment kijkt Rietbergen de BBC-verfilming van de roman Wolf Hall van Hillary Mantell. Het boek en de serie werden bijzonder goed ontvangen, maar de schrijfster kreeg ook kritiek op de wijze waarop ze haar hoofdpersoon Thomas Cromwell portretteerde: te positief.

Was hij dan geen nietsontziende fanaticus die gebruik maakte van de zwakheden van koning Hendrik VIII om zijn eigen positie te verbeteren? „Dat is een punt waarover ook historici van mening verschillen. Het is mooi dat door zo’n boek die discussie het grote publiek bereikt. Het gaat er eigenlijk niet eens om of we nu een positief of negatief beeld van Cromwell hebben. Het gaat erom dat we nadenken over de geschiedenis. Als een boek of film daartoe uitnodigt, is het wat mij betreft een geslaagde verledenverbeelding – ook als niet ieder detail klopt.”