Column

Nationale reflexen belemmeren noodzakelijke strijd tegen terreur

Eerst waren er de aanslagen, toen de ontzetting, daarna de ontgoocheling. Helaas is dit het vaste patroon bij alweer een daad van terreur gericht tegen onschuldige burgers.

Deze week was het de Europese hoofdstad Brussel die zich kon voegen in het trieste rijtje Madrid, Londen, Parijs, Ankara en Istanbul. Een rij die nog aanzienlijk langer is, maar er is nu eenmaal de cynische wetmatigheid die afstand koppelt aan (emotionele) betrokkenheid.

Tot vervelens toe was deze week de clichématige constatering te horen dat het niet de vraag was of maar wanneer in Brussel een terroristische aanslag zou plaatsvinden. Een dergelijke zin heeft al snel een verwijtende lading. Brussel was inderdaad op een mogelijke aanslag voorbereid, al helemaal na de acties in Parijs van 13 november vorig jaar. Maar dat daarom de dubbele aanslag van dinsdagmorgen voorkomen had kunnen worden, is – zeker op dit moment - weer een te snelle conclusie.

Dat neemt niet weg dat er een heleboel vragen zijn te stellen. Vragen, die helaas inmiddels eveneens onder het bij een aanslag horende patroon kunnen worden geschaard. Temeer daar nu al duidelijk lijkt dat op diverse niveaus fouten zijn gemaakt of zaken op zijn mist zijn onderschat. Terreurdaden uitsluiten is een illusie, maar het is wel een opdracht aan overheden zich zo goed mogelijk tegen dit soort acties te wapenen. Daarop kunnen en moeten zij worden aangesproken.

Vanuit deze optiek heeft allereerst de Belgische overheid veel uit te leggen. Dat de verkokerde en versplinterde overheidsdiensten in België al te vaak achter de feiten aan lopen was al duidelijk na de aanslagen in Parijs, die in belangrijke mate in Brussel voorbereid bleken te zijn. Het gevolg is dat te vaak geen verantwoordelijkheid wordt genomen. Vraagtekens zijn ook te zetten bij het justitieel systeem waardoor gedetineerden, zoals twee van de Brusselse aanslagplegers, als gevolg van overbevolkte gevangenissen ruim voor afloop van hun straf al weer op straat staan.

Evenzogoed zijn vragen te stellen bij het optreden van de betrokken Nederlandse instanties. Direct na de aanslagen werd net iets te vaak met arrogante zelfverzekerdheid vastgesteld dat in dit land de zaken wel onder controle waren. Nu is gebleken dat één van de Brusselse aanslagplegers, Ibrahim el-Bakraoui, na uit Turkije te zijn gezet via Schiphol is doorgereisd. Alleen al de tijd die het minister Van der Steur (Justitie, VVD) kostte om dit simpele feit uit te zoeken geeft te denken.

Tenslotte is er nog de Europese dimensie. De Europese ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken die donderdag in Brussel in spoedzitting bijeenkwamen riepen na afloop nog maar eens op tot nauwere samenwerking en betere informatie-uitwisseling. Het waren echo’s van een soortgelijk spoedberaad dat zij in november hadden na de aanslagen in Parijs. Wederzijdse informatieverstrekking blijkt telkens weer de zwakke schakel. Een probleem waar niet alleen de Europese Unie worstelt maar die eigen is aan de wereld van de inlichtingendiensten.

Toch zal juist hier wat moeten gebeuren. Antwoorden op grensoverschrijdende problemen vergen een grensoverschrijdende aanpak. Meer Europa dus. Een moeilijke boodschap in dit tijdsgewricht, maar daarom niet minder waar.