Column

Na de aanslag

Gaat het over de weerslag van de aanslag in Brussel van afgelopen dinsdag en de weerslag in Nederland in de dagen erna, dan blijkt vooral hoe rolvast we inmiddels zijn geworden – we zeggen, schrijven, roepen, twitteren wat er van ons wordt verwacht. Dat die meeste meningen en inzichten hetzelfde waren als vier maanden geleden na de aanslagen in Parijs, viel al gauw op. De satirische website De Speld bracht alle grote woorden als hopeloze clichés onder in een dodelijk schema („U moet nu genieten van het leven, anders winnen de terroristen.”)

Maar satire heeft in Nederland nog nooit iemand ergens van weerhouden. De nationale gebedsmolen draaide opnieuw overuren, stokpaardjes werden bereden alsof er totaal nieuwe inzichten werden verkondigd. Tallozen zagen hun jarenlang verkondigde gelijk – voor de zoveelste keer – bevestigd. Zie je wel, told you so, als er maar eens één keer naar mij was geluisterd. Wél de islam, niet de islam, Marokkanen, Belgen, Molenbeek, de vrije en open samenleving, de wortels, de voedingsbodem. Anderen zeiden in onze ogen vooral onvoorstelbaar domme of foute dingen – hardleers, onverbeterlijk naïef, wegkijkend, ijdel, schandalig of hopeloos verdwaasd.

Je was er al snel een paar uur mee kwijt.

En toen volgden als op afroep verontwaardigde berichten over lachende en juichende scholieren en ook het onvermijdelijke Powned-filmpje met jonge islamitische goedpraters. Waar de politici, nog maar nauwelijks bekomen van een Hema-folder, meteen weer schande van spraken. Die ophef werd vervolgens weer sussend geduid in de kranten– hoe serieus moeten we dit nemen, wat kunnen we ertegen doen? Vooral niet doodzwijgen. Meteen met lessen burgerschap beginnen.

Begrijp me goed, zelf ben ik niet anders. Ik huiverde bij de beelden van ontreddering. De dagen erna dacht ik opnieuw lang en ernstig na over wat voor een samenleving zo’n verstikkend parallel universum als Molenbeek kan laten ontstaan. Ik appte eindeloos met vrienden die er iets van af weten over hoe types als Salah en zijn vriendenkring zo snel de sprong van kleine crimineel naar nietsontziende monsters kunnen maken. Ook ik ging op zoek naar de oorsprong van die even uitzichtloze als hoogmoedige haat. Wat is die giftige mengeling van gangsterdom en jihadisme, die hang naar uitzinnig geweld en zelfvernietiging? En de sufheid van de veiligheidsdiensten, vooral de Belgische, die niet in de gaten hadden dat de gevluchte terrorist gewoon onder hun neus een nieuwe aanslag voorbereidde! Aanslagen, die vervolgens versneld werden uitgevoerd, waarschijnlijk aangejaagd door de loslippigheid van een narcistische advocaat. Onverdraaglijk! Ook ik zong mee in het koor van ontzetting en verontwaardiging. Ook ik somberde, hoonde, bespotte en ergerde me aan de usual suspects, de manische duidingsreflex, de Twitter Tourette.

Totdat ik er een vieze smaak van in mijn mond kreeg. Dit soort betrokkenheid op afroep heeft inmiddels alle kenmerken van een ritueel gekregen. Vandaar dat de Speld het zo gemakkelijk op de korrel kan nemen. Wat is de inzet eigenlijk? Draagt het ergens toe bij? Is al dat lawaai, al die uitgemeten duidingsdrift niet eerder een symptoom van malaise dan van vitale weerbaarheid?

In zijn televisierubriek constateerde Hans Beerekamp in deze krant fijntjes dat op de Nederlandse televisie veel emotioneler werd gereageerd op de aanslagen dan in België, het getroffen land.

Wanneer een samenleving door terrorisme onder druk wordt gezet, komt het, denk ik, aan op daadkracht en veerkracht. Over die daadkracht, of het jammerlijke gebrek daaraan, zal het de komende maanden nog vaak gaan.

Ikzelf maak me vooral zorgen over de veerkracht. Het terrorisme bedreigt onze gekoesterde, open samenleving, hoor je overal. Maar is het probleem niet juist dat steeds minder mensen werkelijk een open samenleving willen? De reacties op de aanslagen in Brussel laten een samenleving zien waarin de breuklijnen steeds dieper gemarkeerd zijn. Men wijst elkaar af, omdat men zich afgewezen voelt – steeds luider, lijkt het, steeds feller, steeds onverzoenlijker. De pogingen om daar iets aan te doen, de spontane optochten, de goedbedoelde oproepen tot solidariteit, de strijdkreten tegen de groeiende haat, al die lessen burgerschap – is dat een krachtig genoeg antwoord, een echt bindmiddel? Of zijn het gewoon tekenen van onmacht? Ik hoop het eerste. Maar ik wou dat ik het ook kon geloven.