Ombudsman

Krant slaat geruststellend alarm in terreurcommentaar

De kop boven het commentaar dat NRC Handelsblad aan de aanslagen van 11 september 2001 wijdde, luidde: In het hart getroffen (12 september 2001). En vijftien jaar later zijn we daar opnieuw getroffen, na ‘Brussel’. Terreur treft hart van de EU (NRC Handelsblad), IS raakt Europa in het hart (de Volkskrant), L’Europe frappée au coeur (Le Figaro), Terror im Herzen Europas (Neue Zürcher Zeitung). Herhaling en clichés horen bij de journalistiek. En bij groot onraad, of leed, horen grote clichés. Uiteraard dook dus overal het hart weer op.

Maar naast verbijstering en woede stak intussen ook een ander, vermoeider geluid de kop op, namelijk: hebben we dit niet allemaal al eerder gezien – en gezegd? De kranten pakten uit, natuurlijk – en professioneel: ook nrc.next en NRC Handelsblad hadden indrukwekkende producties – maar ergens knaagde de twijfel: is journalistiek over terrorisme inmiddels al een genre, of zelfs een sjabloon, geworden?

Het bracht Rob Wijnberg van De Correspondent tot een hartenkreet onder de kop Brussel leert: over terreur is alles al gezegd (behalve wat bijna iedereen denkt), dat op Facebook pijlsnel werd gedeeld en bewonderd. Nooit lees je eens het redelijke midden, wat gewone mensen denken, maar altijd hetzelfde gekrakeel – het is Groundhog Day, een verwijzing naar een film waarin de hoofdpersoon gevangen raakt in een time loop, een herhaling van steeds hetzelfde etmaal.

Aan de belligerente kant van het opiniespectrum werd die klacht óók geuit, zij het met precies de tegengestelde bedoeling, namelijk juist als aanklacht tegen de ‘redelijke midden’-media die maar niet willen inzien dat we in oorlog zijn met de islam.

Weinig opwekkend gezicht, soms, hoe schrikbarend wereldnieuws wordt omgesmolten tot munitie in de bovenbouw van de vaderlandse culture wars.

Maar zit er iets in? Inderdaad, de commentaarcarrousel draaide weer: over radicalisering, de islam, de mondiale erfenis van het kolonialisme, ze haten ons wel/niet, wegkijkers en goedpraters, haatzaaiers, geruchten over juichende moslims (dit keer niet in Ede, zoals in 2001, maar in een schoolklas), alles kwam weer langs. En in elke Groundhog Day hoort een commentator die roept dat het Groundhog Day is.

Ja, uiteraard brachten kranten hetzelfde als ze bij eerdere aanslagen brachten: feiten. En nieuws, zoals donderdag over de uitgewezen El Bakraoui die Nederland heeft aangedaan. Dat lijkt me need to know.

Bovendien, ‘Brussel’ biedt wel degelijk – niet voor het eerst, wel pregnant – aanknopingspunten voor journalistiek spitwerk: de ‘parallelle samenleving’ in Molenbeek; de haperende afstemming van terreurbestrijders; de terugkerende Syriëgangers; de overgang van ‘gewone’ criminaliteit naar jihadisme.

Ook uit de hashtag JeSuisSickofthisShit, die na Brussel viraal ging, spreekt eerder walging dan vermoeidheid. En lezers van NRC Handelsblad hadden, kennelijk nog lang niet murw, ook volop vragen, waar de krant donderdag zeven pagina’s voor uittrok.

Maar inderdaad, ook ik had een sterk moment van déjà lu, namelijk bij het commentaar dat NRC Handelsblad bracht over de aanslagen. De krant had er twee: het eerste, op dinsdag, was nog geschokt en zelfs gealarmeerd, het tweede juist bezwerend – zozeer zelfs, dat het als contrast opeens hol begon te klinken.

Ik heb de commentaren over terreur in NRC Handelsblad herlezen en die hebben al sinds 11 september 2001 vaste thema’s: rustig blijven, de rechtsstaat bewaken, moslims niet stigmatiseren. Het accent is politiek en politioneel, niet religieus of cultureel; de krant wil in een seculiere, liberale traditie staan.

Maar realisme en relativering gaan soms lastig samen. In een commentaar na 11/9 onderschreef de krant dat de islam niet de vijand is, zoals Bush junior zei, maar typeerde dat ook direct als een „bezweringsformule”. Want: „Extremistische moslims, waar ook ter wereld, zien dat anders. Zij zijn in oorlog met de ongelovigen, de half-ongelovigen, de afvalligen. De ongelovigen, dat zijn wij – het Westen.”

Later volgt een nu overbekende relativering: „Er zijn veel grotere doodsdreigingen, verkeersongelukken bijvoorbeeld” (Leven met terreur, 29 april 2004). Inmiddels een sleets argument, en eigenlijk altijd al misplaatst: mensen die terreur vrezen, zijn niet per se bang er fysiek slachtoffer van te worden maar eerder dat de samenleving erdoor wordt ontwricht. Tegen die angst helpen geen statistieken. Het commentaar besloot: „Het dagelijkse leven gaat door.”

Het woord ‘oorlog’ viel wel, meteen na de aanslagen van 11 september 2001

Idem na de aanslagen in Londen, in 2005: wij kunnen „veel leren van de stoïcijnse manier waarop de meeste Londenaren deze gruwelijke aanslag hebben doorstaan”. En, een jaar na de moord op Theo van Gogh: „Ondanks terreurdaden hoort het gewone leven zoveel mogelijk door te gaan.”

Tien jaar later, na Charlie Hebdo: terroristen proberen „bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten en bestaande spanningen te laten escaleren”. Maar mensen moeten zich niet laten „intimideren”.

Dat geluid klonk ook nu, maar in tweede instantie. Op dinsdag, toen het stof nog door Brussel woei, stelde de krant vast dat „’daar’ in Brussel zomaar ‘hier’ in Nederland kan zijn”. „Nederland moet zich realiseren dat het net zo kwetsbaar is.” Want: „Nederlandse steden hebben mogelijk hun eigen Molenbeek.”

Ons eigen Molenbeek? Tamelijk schrikbarend.

Een dag later werd gepleit voor kalmte en werd „extra aandacht” gevraagd voor de positie van moslims – het zou „onzinnig” zijn van hen te verlangen afstand te nemen van de terreur. Slotzin: „Het enige antwoord is dus: kalm blijven en rustig doorgaan.”

Altijd goed, het hoofd koel houden.

Maar tussen die commentaren schuilt wel een onuitgesproken spanning. Want als Nederlandse steden mogelijk ook hun Molenbeek hebben, kán „gewoon doorgaan” nu eenmaal niet „het enige antwoord” zijn. Dan moet de nieuwe korpschef van de Nationale Politie juist opschalen – en de media ook.

Ook in buitenlandse commentaren was zo’n oproep te vinden, maar net anders geclausuleerd. De Neue Zürcher Zeitung kopte: Mit Ruhe und Entschlossenheit. Niet alleen rust, dus, maar ook vastberadenheid en „een bezonken en vastbesloten reactie op meerdere niveaus: lokaal, nationaal en internationaal”.

NRC Handelsblad maakte de wending precies andersom: daders moeten hard worden aangepakt, verder moeten we vooral rustig blijven

Een bloedbad becommentariëren, vaak al binnen luttele uren, is niet simpel: het gaat erom een balans te vinden tussen verbijstering, die kan escaleren tot alarmisme, en bezwering, die al snel uitloopt in platitudes. Maar vijftien jaar na dat eerste commentaar lijkt een oproep tot rust alléén onvoldoende. Wat we níét moeten doen weten we nu wel, maar wat is er wél te doen – en hoe weten we of dat werkt?

Opvallend genoeg stipte de krant dat nog wel aan in 2011, na het bloedbad van Breivik. In dat commentaar wordt verwezen naar ervaringen met de RAF en Rasterfahndung, een methode om de concentrische cirkels van terroristen, faciliteerders, „meelopers” en sympathisanten „uit elkaar te trekken”. Een aanpak die „niet zonder risico is’’, maar perspectief biedt.

Voor de aanpak van dit jihadisme lijkt me dat ook opgaan. Hoe verklein je het Umfeld van extremisten, in plaats van het te vergroten? Dat vraagt om antiterreurbeleid, maar ook om een maatschappelijke strategie die zowel het vergoelijken van terrorisme bestrijdt als het stigmatiseren van moslims.

‘Gewoon doorgaan’ helpt daarbij, maar meer dan ook niet.