Ja leuk! Iets met een historicus

Over geschiedenis verschijnen veel boeken en tijdschriften, en historici schuiven aan in talkshows. Hoe komt het dat geschiedenis zo leeft in Nederland? Oh, dan is er natuurlijk ook de Grote Geschiedenisquiz.

Geschiedenis is ‘hot’, zei de uitgever bij de lancering van Quest Historie , een spin-off van het populair-wetenschappelijke tijdschrift Quest. Hoe ‘hot’ is geschiedenis in Nederland?

Heel hot, zo lijkt het. Niet alleen telt Nederland populaire historische tijdschriften met behoorlijke oplagen, ook zijn er nogal wat in geschiedenis gespecialiseerde boekuitgevers. En het vak is nog altijd in trek: het aantal eerstejaars geschiedenis schommelt landelijk al decennia rond de 250; voor het studiejaar 2016-2017 hebben zich nu al 27 procent meer gegadigden gemeld dan in 2015.

Historici spelen de laatste jaren ook een steeds grotere rol als duiders van de actualiteit in de Nederlandse media. Toeval of niet, de meesten van hen komen uit Utrecht. De bekendste causeur is emeritus hoogleraar Amerikaanse geschiedenis Maarten van Rossem. Andere Utrechtse gasten in actualiteitenrubrieken en praatprogramma’s zijn militair historicus Christ Klep, historicus internationale betrekkingen Beatrice de Graaf en kenner van de Europese integratie Mathieu Zegers.

Archeoloog en historicus Leonard Rutgers is sinds 2003 in Utrecht hoogleraar Late Oudheid. Hij schrijft een wekelijkse column in Het Financieele Dagblad over zijn vakgebied, en de respons verbaast hem: „Er komen opvallend veel reacties van lezers, van architecten tot bankiers. Ik bespeur bij het publiek dat hier niet beroepshalve mee bezig is een grote belangstelling voor en behoefte aan geschiedenis. Zo word ik overspoeld met verzoeken om lezingen. Van collega’s hoor ik hetzelfde.”

Hoe verklaart hij die interesse? Rutgers: „Die hangt duidelijk samen met de actualiteit. Zo vroeg dagblad Trouw mij een tijdje geleden om een reactie op Ruttes vergelijking van de huidige toestroom van vluchtelingen met de rol van invallende barbaren bij de val van het Romeinse Rijk. Ik heb toen een opiniestuk geschreven, waarin ik uitlegde dat het Romeinse Rijk één grote integratiemachine was voor mensen met heel uiteenlopende culturele, religieuze en etnische achtergronden. Migratie is de motor van de geschiedenis. Sinds wij eenmaal zijn weggetrokken uit de Olduvaikloof in Tanzania, zijn we niet meer opgehouden met migreren. Dat vinden mensen spannend.”

Rutgers is blij met populaire media die historische thema’s behandelen, van publiekstijdschriften tot tv-series. „Als mensen daar plezier aan beleven is dat alleen maar winst. Ik ben wel eens jaloers op hoe het in Engeland gaat. Daar wordt nog veel meer aan geschiedenis gedaan in de vorm van boeken en tv-programma’s, maar ook in de vorm van fictie: televisiedrama, bioscoopfilms. Neem de prachtige serie Wolf Hall, over de loopbaan van Thomas Cromwell aan het hof van Hendrik VIII. En iedere Engelsman weet welke actrices Elizabeth I hebben gespeeld.”

Wijnand Mijnhardt ging vorig jaar met emeritaat als hoogleraar vroegmoderne geschiedenis in Utrecht, maar hij is nog volop actief. Hij erkent de belangstelling voor geschiedenis, maar relativeert die enigszins. „Studentenaantallen zeggen mij niet zoveel. Ik heb veertig jaar te maken gehad met die jongens en meisjes. Veel van hen weten niet zo goed wat ze willen en vonden geschiedenis op de middelbare school niet vervelend. En je kunt er toch van alles mee worden?”

Die grote aantallen boektitels verbazen Mijnhardt wel. Hij vermoedt dat de meeste lezers al op leeftijd zijn. „We hebben een groeiende leisure class van gepensioneerden, en die zit niet slecht in de middelen. Ik geef al vanaf mijn twintigste lezingen in plaatselijke historische verenigingen. Het overgrote deel is boven de 50.”

Professionals en liefhebbers

Wie schrijven al die boeken? Mijnhardt: „Er zijn twee typen producenten van historische kennis. Wij, de professionals aan de universiteiten, en de mensen die het ernaast doen, omdat ze gegrepen raken door een thema en zich erin verdiepen. Veel van die mensen schrijven niet beroerder dan de gemiddelde historicus en produceren ook boeken. Ik denk dat die beter aansluiten bij de publieke belangstelling, omdat hun thema’s dichter bij de mensen staan dan onze productie.”

„Belangstellende leken worden niet meer bediend door academische historici”, zegt Mijnhardt. „Johan Huizinga, Pieter Geijl, Jacques Presser, de grote mensen uit de jaren dertig tot zestig, die hadden een Nederlands publiek. Als ik nu een boek schrijf in het Nederlands is dat omdat het mij niet meer kan schelen. Maar jongere collega’s worden afgerekend op het binnenhalen van nieuw geld, en dan moet je artikelen schrijven in grote internationale tijdschriften. Een enkeling schrijft nog wel eens een samenvattend boek, maar dan bij voorkeur in het Engels, niet in het Nederlands.”

Die groeiende afstand tussen professionele historici en het publiek baart Mijnhardt zorgen.

„Want het gaat om mijn raison d’être als historicus. Die is niet langer dat ik mijn medelanders van een nationale identiteit voorzie, zoals voorgaande generaties historici. Ben ik nuttig als ik 273 mensen vermaak met een boekje? Ik word nog steeds heel gelukkig als ik oud-leerlingen tegenkom van een school waar ik heb lesgegeven en die zeggen: daar hebben we veel van geleerd. Als we het hebben over ‘impact’, over ‘valorisatie’, dan is het dat. Lesgeven is de sleutel van het bestaan. Zo leren Nederlanders historisch denken. Daarom moeten geschiedenisdocenten ook academisch zijn geschoold.”